Deze site gebruikt cookies als je geregstreerde gebruiker bent en inlogt

In dit artikel beschrijf ik de "grote" gebeurtenissen tijdens en rond de levensloop van de familieleden in de stambomen... Geschiedenis Brabant, Breda, Noorder-Kempen... de bronnen zijn openbaar op internet gevonden. Het artikel is nog in ontwikkeling...

We beginnen de verhalen een stuk voordat we de eerste voorvaderen kunnen ontdekken. Hoewel, langs moederszijde kon er een voorouderlijke tak tot in het Turnhout van 1475 gevolgd. De vroegste "Roelandsen" vonden we eind 16e eeuw, terwijl de 80-jarige oorlog nog bezig was, die ook deels in hun streek werd uitgevochten. Voor een goed begrip van de politieke en matschappelijke situatie gaan we nog iets verder terug, want de basis voor de bestuurlijke structuren werd al vroeger in de middeleeuwen gelegd. Daarom begint het verhaal met Brabant, dat veel meer heeft omvat dan de gebieden die de huidige provincies met die naam in Nederland en België nu beslaan. Het stuk met de Romeinen; Franken en nog vroegere volkeren waar de eerste schriftelijke bronnen gevonden werden, slaan we over, want het belang in verband met de aantoonbare voorouders is niet bewezen. Ook de prehistorie en geologische geschiedenis die nog daarvoor kwam, hoewel de laatste van wel belang is voor o.a. de landbouw en de vestigingsplaatsen van de mensen.


Hertogdom Brabant

Brabant 1477Brabant was oorspronkelijk de naam van een Karolingisch gouwgraafschap (pagus Bracbatensis) dat zich uitstrekte tussen de Schelde en de Dijle. Ten noorden daarvan lag een gebied dat Taxandrië heette, naar de stammen die het ooit bevolkten. Dat was in Romeinse en Frankische bronnen terug te vinden.

Vanaf de 13e eeuw is het de naam van een hertogdom in het westen van het Heilige (Duitse) Roomse Rijk. Zie het kaartje met de situatie uit 1477. Zijn grondgebied bestond voornamelijk uit de drie hedendaagse Belgische provincies Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Antwerpen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het merendeel van de hedendaagse Nederlandse provincie Noord-Brabant. Verder hoorden de zogenaamde Landen van Overmaze erbij, een gebied dat ongeveer overeenkomt met het zuiden van de Nederlandse provincie Limburg, alsook het Duitse Herzogenrath.

De Brabantse natie was naar territoriale omvang vrijwel voltooid met het toekennen van de hertogtitel van Neder-Lotharingen, waaronder grotendeels het Huidige Nederland en België, aan Godfried I van Leuven (ook bekend als Godfried met den baard) door de Duitse keizer in 1106 (zie ook: hertogen van Brabant). Brabant was daar slechts een deel van. Institutioneel volgt de bevestiging pas in 1183/1184, met de verheffing van het landgraafschap Brabant (tussen Dender en Zenne) tot hertogdom ten gunste van Hendrik I van Brabant. In 1190, enkele dagen na de dood van Godfried III van Leuven werd tijdens een landdag in de abdij Comburg (Schwäbisch Hall) het hertogschap van Neder-Lotharingen gezagsloos verklaard, maar behielden de graven van Leuven het recht om het hertogelijke gezag uit te oefenen binnen de door hun gecontroleerde graafschappen en voogdijgebieden, het hertogdom Brabant bleef bestaan.

Verdere uitbreidingen gingen vooral naar het oosten. In 1288 verslaat Jan I van Brabant in de Slag bij Woeringen de Keulse aartsbisschop en wint het hertogdom Limburg (niet te verwarren met de huidige Belgische en Nederlandse provincies), er ontstaat een band tussen de twee hertogdommen die 5 eeuwen zal duren. In 1430 komt Brabant bij het huis van Bourgondië, waarvan hertog Filips de Goede op dat ogenblik bezig is een rijk uit te bouwen dat in de 16e eeuw de Zeventien Provinciën zal gaan heten. Blaeu 1645 Brabantia DucatusOp het oude kaartje van Babantia Ducatus, jawel het hertogdom, zoals het in 1645 was volgens de cartograaf Bleau. De bovenkant van de kaart is niet het noorden, maar het westen... In het gebied rechtsboven is het graafschap Hoogstraten te vinden, iets groter dan de huidige gemeente, als deel van het hertogdom. Het land van Hoogstraten werd een graafschap rond 1518, onder graaf Antoon I van Lalaing . Ongeveer heel West-Brabant was in die tijd deel van de baronie van Breda en markizaat van Bergen-op-Zoom.

Het hertogdom bestond van 1183 tot 1795 en vormde het hart van de Nederlanden. Zijn belangrijkste steden waren Brussel, Antwerpen, Leuven, Breda, 's-Hertogenbosch en Lier. De stad Mechelen maakte deel uit van de heerlijkheid Mechelen, een enclave in het hertogdom Brabant. Na de Nederlandse Opstand, de oorlog tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het Habsburgse bewind, werd Staats-Brabant afgesplitst van het hertogdom.

 


Geschiedenis beginnend in Hoogstraten

In de 11e tot 14e eeuw ontstonden er dorpen in het Land van Hoogstraten, de oorsprong van de familie Roelands ligt in het dorp Meer en die van de familie Boeren in het dorp Meerle. Toch voor zover we op dit moment weten. De nederzettingen zijn in een aantal gevallen eigenlijk ouder, maar pas later kwamen er documenten waarin ze werden vermeld. Voor 1976 waren dat zelfstandige Belgische gemeenten en daarvoor min of meer zelfstandige gemeenschappen. Meerle zou al genoemd zijn in een schenkingsakte bij de stichting van de adij vanThorn in 922, daarbij werden vele goederen in het huidige Noord-Brabant aan de abdij geschonken. Hoogstraten zelf werd in 1210 gesticht volgens Wikipedia door Hendrik I hertog van Brabant en voorzien van vrijheidsrechten, met alle economische voordelen van dien. Vermoedelijk was er al eerder een pleisterplaats aan de doorgaande wegen naar Breda, Antwerpen en ‘s 's-Hertogenbosch-Nijmegen (via Tilburg). Hierdoor ontwikkelde Hoogstraten zich tot een klein handelsstadje. Hoogstraten werd gesticht binnen de parochie Wortel (deze werd reeds vermeld in 1155), waardoor de grote Sint-Catharinakerk van Hoogstraten de dochterkerk werd van de kleine Sint-Jan Baptistkerk van Wortel. Ook het kasteel van Hoogstraten bleef onder de parochie van Wortel. 160224 geschiedenisfoto Hoogstraten  Door ontginningen werd het land van Hoogstraten een landbouwgebied met groeiende bevolking. Vanaf de 16de eeuw zou Hoogstraten zich ontwikkelen tot een handelsstad die op economisch, politiek en religieus gebied een duidelijke dominerende invloed had op het grondgebied van de huidige Noorderkempen. Hoogstraten kende toen zijn grootste bloeiperiode. De eerste graaf en gravin de Lalaing behoorden tot de voornaamste adel in de Nederlanden, en lieten de kerk en het stadhuis bouwen. In 1518, onder graaf Antoon I van Lalaing werd het de hoofdplaats van het graafschap Hoogstraten.

In 1568 brak de tachtigjarige oorlog uit, waaronder Hoogstraten zwaar heeft geleden en waarvan het zich nooit helemaal heeft hersteld. Het volgende deel handelt uitgereid over die lange oorlog en beschrijft ook de gevolgen in de streek war onze voorouders thuis waren.


80 jaren oorlog...

De eerste leden van de familie Roelands worden pas gesignaleerd in de periode van het laatste deel van de 80-jarige oorlog. De familie Boeren vinden we pas terug ruim na het einde van de lange oorlog. Misschien is het juist vanwege de oorlog en de regelmatige uitbraken van epidemieën (“de pest”) dat de sporen van de vroegere families moeilijk te vinden zijn.

Tekening van de Slag bij HeiligerleeWe gaan voor een goed begrip toch nog even terug naar het begin van de schermutselingen, als we het zo mogen noemen. Eignlijk zouden we tegenwoordig, deze oorlog een opstand of onafhankelijkheidsstrijd noemen. Oorlogvoeren gebeurde heel anders dan in onze tijd. Er was vooral een grote opeenvolging van veldslagen en belegeringen, waar tussen de troepen zich verplaatsten naar de volgende plaats van treffen met de vijand.

De krijgshandelingen gebeurden door “gespecialiseerde troepen” die weren omringd door heel wat ondersteunend personeel, inclusief vrouwen en kinderen. Onderweg werden dorpen en steden lastiggevallen, om het zacht uit te drukken, de troepen moesten bevoorraad worden en liefst tegen lage kosten, want de edelen die de leiding hadden betaalden liefst zelf zo weinig mogelijk.

De legers betonden uit edelen vanuit de elite van de strijdende partijen als officieren en voetvolk bestaande uit huurlingen uit allerhande landen, die dat voor het geld deden, omdat er met gewoon werk weinig toekomst was in het land van herkomst. De gevechten kenden vaak een soort winterstop.. Het begin van die oorlog zou de slag bij Heiligerlee in Groningen zijn in 1568, zo wordt in Nederlandse kringen aangenomen. Die slag was een overwinning voor de "staatsen" onder leiding van Lodewijk en Adolf van Nassau, jongere broers van Willem van Oranje-Nassau. Andere partijen nemen een ander beginpunt.

Even later verenigden alle gewesten (behalve Luxemburg) zich in de Unie van Brussel tegen de aanwezigheid van de Spaanse troepen. Op deze manier wist Brabant in samenwerking met Willem van Oranje de gematigde en radicale opstandelingen te verenigen. De nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, moest zwichten voor deze massale opstand en liet zijn troepen terugtrekken naar het Spaansgezinde Luxemburg na de ondertekening van het Eeuwig Edict.
Maar de vrede is van korte duur en na de verovering van de Citadel van Namen op 24 juli 1577 en de volledige vernietiging van het staatse leger in de Slag bij Gembloers op 31 januari 1578, wist Don Juan de stad Leuven te veroveren. Brabant was toen sterk verzwakt, en in sommige steden braken gevechten los tussen calvinisten en katholieken.

In het laatste deel van de oorlog woedt er tegelijkertijd een ander langdurig conflict heel Europa, waardoor de strijdende partijen de troepen en aadacht moeten verdelen. Deze 30 jarige oorlog had vooral politieke-religieuze motieven en begon in 1618.  Ook aan dit conflict kwam een einde in 1648 met de vrede van Westfalen. Na 80 jaren oorlog in de Nederlanden wordt de vrede in Munster getekend in 1648, de partijen waren meer dan oorlogsmoe. De oorlogshandelingen gebeurden over een groot deel van het grondgebied van de Nederlanden, waarbij het huidige grondgebied van België en Frans Vlaanderen ook grotendeels moeten worden gerekend. De reden van de strijd was enerzijds het streven van een aantal edelen en steden om onafhankelijk te worden van de Spaanse overheersing en anderzijds ook een vrijere godsdienstbeleving, meer onafhankelijk van het instituut van de Rooms Katholieke kerk. Bij dit laatste waren de opkomst van diverse protestantse stromingen van groot belang. Een van de belangrijke leiders van de opstand tegen de Spaanse koning Filips II was Willem van Oranje geschilderd door Anthonie Mor omstreeks 1554 320x412Willem van Oranje-Nassau, die veel later de vader des vaderlands zou worden genoemd. Hij werd prins van Oranje (Orange, Frankrijk) door een erfenis van zijn kinderloze neef René van Chalon. Op de afbeelding hiernaast een geografisch overzicht van de machtsverdeling in het begin van de 80-jarige oorlog. De unie van Atrecht (Arras, Frankrijk) was een alliantie van een aantal edelen met de Spaanse landvoogd en veldheer Alexander Farnese hertog van Parma die zich verzoenden. Een belangrijke bepaling binnen die unie was dat de katholieke godsdienst de enige zo zijn die toegelaten. Als reactie daarop omstond in het noorden de unie van Utrecht. Ook Breda sloot zich bij deze laatste Unie aan. Een broer van Willem van Nassau, Jan van Nassau, speelde een belangrijke rol bij het tot stand komen van de unie van Utrecht. De Unie van Utrecht was grotendeels een protestantse aangelegenheid, waarbij later ook katholieke gebieden zich aansloten. De troepen die de gevechten uitvoerden, waren huurlingen, die vaak gingen plunderen in de omgeving van de slagvelden, zeker als er een tijd geen soldij of voedsel kwam. De gewone mensen waren daarvan vaak het slachtoffer. De partij die na het gevecht, al dan niet tijdelijk aan de macht kwam, moest door extra belastingen en leveringen in natura van vlees, graan, hooi en stro de eigen troepen op de been houden. Ook werden er wel afkoopsommen betaald om plunderingen te voorkomen. Daarvan zijn in de boekhoudingen van de schepenbanken, de "gemeentebesturen" van die tijd,  heel wat sporen terug te vinden.

In de streek van de familie Roelands en Boeren had de oorlog en wat daarbij hoorde ook zo zijn gevolgen. Er werd een tijdslijn met gebeurtenissen gevonden bij de heemkundige kring Amalia van Solms in Baarle.

De Unies van Utrecht en Atrecht wikiTijdens de eerste helft van de 80-jarige oorlog hebben de boeren het zwaar te verduren. In Hoogstraten kwijnt de wolweverij weg: wevers sterven of wijken uit. Ook de handel ondervindt veel hinder. Hoogstraten ligt aan een belangrijke verbindingsweg tussen Vlaanderen en de Hanzesteden. De eerste helft van de oorlog heerst er veel ellende. Jonker Jan van Treslong laat protestantse hageprekers toe  op zijn hoeve in Minderhout. Zij komen zijn huurders bekeren tot het nieuwe geloof. Van Treslong wordt daarvoor in Brussel onthoofd, mogelijk ook als vergelding voor het aansluiten bij de opstandige “Staatse” edelen. Een wel heel rigoreuze straf! De ontevredenheid over het bestuur van Alva wordt groter omdat deze zijn belastingsplannen weer opvatte (de honderdste penning éénmalig op alle bezit, de twintigste penning telkens bij de verkoop van onroerende goederen en de tiende penning bij het verkopen van roerende goederen). De pest heerst in Turnhout rond 1570 en kost velen het leven.

Den Briel wordt veroverd op Fernando Alvarez de Toledo by Antonio Moro (Alva)Alva op 1 april in 1572. In Holland en Zeeland breekt een volksopstand uit. De eerste vrije Statenvergadering komt bijeen. De tocht van Prins Maurits door de Zuidelijke Nederlanden mislukt. Don Frederik, de zoon van Alva, gaat in de tegenaanval naar Gelderland en Holland via de Maas. In Alkmaar wordt hij teruggedreven en moet hij Holland verlaten. Alva wordt vervangen door Requesens in 1573 maar veel verandert dat niet aan het gevoerde beleid. Middelburg wordt op de Spanjaarden veroverd in 1574. Leiden wordt bijna een jaar lang tevergeefs belegerd door de Spanjaarden en heroveren Zierikzee in1576.

De Spaanse troepen zijn al maandenlang niet betaald en beginnen te muiten.Ze kiezen hun eigen leiders, verlaten de bezette plaatsen in het Noorden en trekken naar de Zuidelijke Nederlanden, waar geweldig geplunderd wordt (Spaanse Furie in Antwerpen: 10.000 doden). In 1578 gaat Amsterdam over naar Willem van Oranje. Groei van het Calvinisme werkt de verdeeldheid weer in de hand. Don Juan verslaagt het leger der Staten bij Gemblaux (Walonië).

Artois en Henegouwen sluiten de unie van Atrecht in 1579. Zij verzoenen zich metAlexander Farnese (Hertog van Parma) Parma. Tegelijk sloten de meeste Noordelijke gewesten en de grote steden in Brabant en Vlaanderen de Unie van Utrecht, een militair bondgenootschap. Groningen, Drente en Overijsel kiezen de Spaanse zijde een jaar later. Filips II spreekt de ban uit over Willem van Oranje. Hij belooft zijn moordenaar een grote beloning en een verheffing in de adelstand. Voor zover bekend heeft de moordenaar die beloning nooit ontvangen.

Kasteel Bruheze in Baarle wordt in de zomer van 1581 ingenomen door 40 misnoegde Spanjaarden, de zogenaamde Malcontenten. Ze laten het door de opgeëiste inwoners van Baarle versterken. Van daaruit ondernemen ze akties tegen Breda. De gouverneur van Breda (Van Stakenbroek) bestookt het kasteel zonder succes met twee kanonnen. Kolonel de la Garde overvalt in opdracht van de Staten van Brabant daarop Bruheze met de ruiterij, voetvolk en kornetten. Na een hevige beschieting volgt de Spaanse overgave. Turnhout wordt bezet door het leger van de graaf van Boussu, stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland. Willem van Oranje wordt in Antwerpen gewond bij een aanslag in 1582. In 1584 lukt de moordaanslag wel Prins Willem van Oranje wordt vermoord in Delft door Baltasar Gerards. Gezien de verwondingen waren geen laatste woorden meer mogelijk, hoewel er wel werden toegedicht later. Hij wordt als eerste Oranje in de nieuwe kerk in Delft bijgezet, gezien Breda met het faliliegraf van de Nassaus in Spaanse handen was. Parma verovert Brugge en Gent. Hij maakt zich op voor het beleg van Antwerpen. In 1585 geeft Antwerpen zich over aan Parma. De val van Antwerpen bracht een vluchtelingenstroom naar het noorden op gang. Maar liefst 40.000 sinjoren verlieten hun stad. De Schelde wordt afgesloten zodat de stad wegkwijnt. Uitbreiding van de ordonnantie tegen de pest in Hoogstraten (was er pest uitgebroken of dreigde er een pestepidemie?) Tijdens de oogsttijd van 1587 valt de graaf Karel van Mansveld met zijn leger Hoogstraten binnen. Op elf dagen tijd verdwijnt de gehele oogst in Minderhout. In Meerle, waaar de familie Boeren zijn oorsprog heeft, zijn ongeveer 50 boerderijen onbewoond en gedeeltelijk verwoest. De gronden zijn niet bezaaid. De overgebleven Meerlenaren getuigen op 3 december: "'t dorp is cleyn van inwoonderen, die welcke inwoonderen oic van sobre conditien ende macht syn, mits den affsterven van de ingesetenen, die van miserien ende van den pesten gestorven sijn in grooten getale."

Spanjaardsgat BredaIn februari 1590 werd Maurits benaderd door de schipper Adriaen van Bergen uit Leur. Hij had een plan om de stad in te nemen: als schipper vervoerde hij regelmatig turf naar het Kasteel van Breda, waar de Spaanse troepen gelegerd waren. Omdat hij zo vaak kwam, werd zijn schip niet meer gecontroleerd. Hij zou op deze manier een leger het kasteel binnen kunnen smokkelen. Dit naar het idee van het Paard van Troje. Maurits zag wel wat in het idee en liet Johan van Oldenbarnevelt de details rondom de uitvoering regelen. Zo kwam de list met het turfschip tot stand, er werden manschappen Breda binnen gesmokkeld die de tegenstander daar onschadelik maakten.

Filips II maakte de fout Parma zijn werk niet te laten afmaken. Hij mengt zich in Britse en Franse aangelegenheden waardoor zijn positie in de Nederlanden verzwakt: Parma moet elders gaan vechten. Spanje verzwakt financieel. De Staten-Generaal zorgt voor een goede verstandhouding met Frankrijk en Engeland. De Thornse goederen in de Baronie van Breda, waaronder die in Meerle en Baarle, worden door de Raad van State belast met de vijfde penning. Later zelfs met de dubbele vijfde penning. Protesten van de abdij brengen in 1609 Prins Maurits ertoe de besturen van de dorpen in de Baronie van Breda de opdracht te geven voortaan van die dubbele belasting af te zien.

Op 2 april 1593 veroveren geuzen uit het garnizoen van Breda door middel van de list met de "soetelaar" het kasteel van Turnhout. Een soetelaar levert met zijn kar bier aan het kasteel en stopt op de ophaalbrug. Hij stoot een schildwacht in het water. Dit is het sein voor de soldaten die zich verborgen hadden in een nabijgelegen, afgebrande woning. Zij nemen het kasteel in. Vier maanden later worden ze weggejaagd door Mondragon. De pastoor van Alphen, Mattheus Antonii Gorissen van Iersel, moest vluchten in 1594 voor het krijgsvolk en zat zes weken gevangen in het kasteel van Turnhout. Batterijen van prins Maurits bestoken tevergeefs met meer dan 100 kanonschoten het kasteel van Turnhout. Aartshertog Albrecht trekt 4000 man voetvolk en 500 ruiters samen te Turnhout in 1597. De troepen staan o.l.v. graaf Varax. De Staatsen bemerken het gevaar: zij vrezen voor een aanval op Breda of Bergen-op-Zoom. Op 22 januari arriveert prins Maurits van Nassau prins van Oranje en StadhouderMaurits in Geertruidenberg met 5000 man infanterie, 1000 ruiters, 150 schepen, 80 wagens met ammunitie en voedsel, twee halve kartouwen en twee veldstukken met een bespanning van 100 paarden. Op 23 januari komt een deel van dit leger aan in Ravels. Op 24 januari verlaat Varax Turnhout. Hij vlucht naar Herentals. Het vluchtende leger wordt achtervolgd en verslagen door de Staatsen. Varax sterft tesamen met honderden soldaten, mogelijk zelfs 2000. 's Namiddags verovert Maurits het kasteel van Turnhout. De Noordelijke vleugel brandt volledig af. Het kasteel wordt vervolgens door beide partijen neutraal verklaard: de benedenvensters en de poort worden toegemetseld, de ophaalbrug wordt afgebroken. Het gebouw wordt verwaarloosd en vervalt tot een ruïne. Het ligt in puin tot na 1649.

Frankrijk en Spanje sluiten vrede in 1598. Filips II huwt zijn dochter Isabella uit aan Albrecht van Oostenrijk en schenkt hen de Nederlanden als bruidschat. Bij kinderloos overlijden zouden de gewesten aan Spanje terugvallen. Filips II sterft. Het Spaanse leger betaalt zijn soldaten slecht en op twee jaar tijd breken er twintig opstanden uit. Italiaanse troepen van het Spaanse leger beginnen te muiten. Twee jaar lang bezetten zij het kasteel van Hoogstraten en roepen er de Unie van Hoogstraten uit in1602. Hun plundertochten voeren hen naar Antwerpen, Namen en Aken. Ze logeren zowel op het kasteel als in de Vrijheid. Elk huis herbergt zo'n 50 à 100 soldaten.

In 1603 te Hoogstraten sterven 103 mensen aan de pest: 50 volwassenen, 23 kinderen, 24 soldaten en 6 soldatenkinderen. Het kerkhof ligt vol nieuwe graven zodat er die zomer geen gras wordt verkocht. Het is niet duidelijk welke ziekte deze pest juist is, er gaan verqchillende theoriën over de ronde. Prins Maurits van Nassau (N) valt met zijn leger Hoogstraten binnen en drijft graaf Frederik van den Bergh (Z

) met het leger van de Spaanse koning (de Italiaanse muiters?) op de vlucht. Hoogstraten wordt "verminkt" door het krijgsvolk (N). Het kasteel wordt belegerd en ontzet door graaf Maurits van Nassau. Als gevolg daarvan worden in Minderhout vruchten en granen geplunderd: het dorp wordt volledig geruïneerd. De pastorij met de schuur worden vernield en de pastoor kan zijn belastingen niet meer betalen. Hij vraagt aan de Staten der Verenigde Nederlanden om kwijtschelding voor de jaren 1603 en 1604. Op 26 juli t603 trekt een leger van de Hertog van Brabant (Z) van Westmalle naar Hoogstraten. Het bestaat uit 8 à 9.000 paarden en ontelbaar voetvolk. Huizen en veldvruchten worden vernield. Bijna de gehele stad brandt af. Maurits wordt verjaagd. Het krioelt van de wolven in de regio. Er heerst hongersnood.

pestkerkhof2In 1604 brak in Alphen, na in Turnhout, ook de pest uit, hele gezinnen stierven uit en deze moesten op last van de bange schout buitendorps begraven worden op een groot heideveld wat toebehoorde aan het klooster van Tongerloo, aan de pastoriehoef. Deze ziekte heerste er tot 1625, ongeveer 500 mensen vonden de dood, de helft van de bevolking want Alphen had toen ongeveer 1000 inwoners. Ook 2 priesters lieten het leven. Later werd aan de Boslust een monument opgericht. In 1605 is er opnieuw  pest in Turnhout, omsreeks 1606 is er ook pest in Ulicoten (tussen 1603 en 1607, wellicht in 1606)

Schijnbaar als een voorbereiding op de vrede wordt in 1609 een bestand gesloten tussen de Staten-Generaal en Albrecht, eerder tegen de zin van Stadhouder Maurits, de militaire leider van de Verenigde Nederlanden. Het bestand zou 12 jaar duren. De Republiek voelt zich reeds volkomen onafhankelijk en Maurits vreest dat Spanje zich zal versterken om na het bestand des te krachtiger aan te vallen. Besloten wordt dat iedere partij behoudt wat hij bezit. De handel herleeft en de wolweverij bloeit opnieuw. De stad Hoogstraten lokt weversgezinnen: vier jaar lang moeten de wevers er geen personele belastingen betalen. Het bestand is gunstig voor de plattelandsbevolking. Mislukte oogst "door de rijm en de kwade luchten". Volgens de kroniek van Turnhout bevriezen op 10 mei 1611 de graangewassen.

De wapenstilstand maakte echter wel een einde aan de eenheid in de Republiek. Waar Maurits van Oranje, zoon van Willem, de strijd wilde voortzetten, onder meer vanwege zijn positie als opperbevelhebber van de strijdkrachten, wilde Van Oldenbarnevelt de strijd, tijdelijk, staken omdat dit de handelspositie van de Republiek zou verstevigen. Er zijn in 1614 interne geschillen in de Republiek tussen Holland en de andere gewesten. Daarnaast brak er een religieus conflict uit, tussen remonstranten (gematigden) en contra-remonstranten (strenge Calvinisten) .waarbij Maurits (de militaire leider) en Van Oldenbarnevelt i(de voorzitter van de Staten-Generaal) ieder een andere kant kozen. Eerstgenoemde pleegde uiteindelijk een staatsgreep en rekende in de nasleep af met zijn opponenten. Johan van OldenbarneveltVan Oldenbarnevelt en zijn voornaamste medestanders, o.a. Hugo de Groot, worden in 1618 gevangen genomen. Johan van Oldenbarnevelt werd op 12 mei 1619 wegens landverraad en hoogverraad zelfs ter dood veroordeeld en op het Binnenhof geëxecuteerd, Hugo de Groot tot levenslange opsluiting veroordeeld.  Hugo de Groot vlucht van Loevestein naar Antwerpen (na een list met een boekenkist om te ontsnappen) en verblijft naar alle waarschijnlijkheid in één der herbergen van Loveren te  Baarle in de nacht van 22 op 23 maart 1621.

Later in 1621 werd de strijd met de Spanjaarden hervat. In militair opzicht werd de Republiek in deze periode aangevoerd door stadhouder Prince Frederik Hendrik and his wife Amalia van SolmsFrederik Hendrik van Oranje (de "stedendwinger"), de zeventien jaar jongere halfbroer van Maurits van Oranje die inmiddels was overleden. Frederik Hendrik, getroud met Amalia van Solms,verwierf de bijnaam ‘Stedendwinger’. Hij veroverde verschillende steden in het zuiden, waaronder ’s Hertogenbosch. De stadhouder probeerde zo een buffer tegen de Spanjaarden te creëren.

Frederik Hendrik wilde ook graag Antwerpen innemen, maar werd teruggefloten door de Staten Generaal, die bang was dat de haven met Amsterdam zou gaan concurreren. Nadat de stad in 1585 door de Spanjaarden was ingenomen, was de stad namelijk in verval geraakt. Dit had alles te maken met het afsluiten van de Schelde door de Hollanders. Als gevolg van die sluiting waren veel handelaren naar het noorden verkast. Mede hierdoor groeide Amsterdam uit tot een belangrijke handelsstad in de "gouden eeuw". Het inwonertal van Antwerpen kelderde na de val van de stad dramatisch, van ongeveer 100.000 naar 40.000.

Op 28 augustus 1624 valt Spinola (Z) onverwacht Ginneken binnen en slaat er zijn hoofdkwartier op. In 17 dagen tijd is Breda omsingeld. Drie weken lang brengt Maurits(N) met zijn leger in Made door. Daarna wijkt hij uit naar Roosendaal. Eind 1624 vertrekt hij naar Den Haag. Op 2 september vaardigen de Staten van Holland een plakkaat uit dat op 11 september Hoogstraten bereikt: het is verboden eetwaren, munitie, krijgsgereedschap, enz. te leveren aan het leger van de koning van Spanje. Dat is een streep door de rekening van Spinola: die moet zijn bevoorrading zoeken ver in het binnenland. Hij richt daarvoor een groot magazijn op in Lier en drie schanzen tussen Lier, Herentals en Turnhout. Ook in Baarle ligt er een schans ter bescherming van de voorraadkonvooien en van waaruit een bende ruiters de streek controleert. Er is weer pest in Turnhout.

Op 16 januari 1625 trekken troepen van graaf Hendrik van den Berg van Wuustwezel naar Baarle. De graaf, zijn zoon, kapitein Martijn, vier ruiters van markies Spinola, pagen, lakeien en dienaars van de graaf verteerden in Hoogstraten. Ze drinken Spaanse wijn en eten wit brood. Op 17 januari verblijft de graaf in Baarle, vanwaar hij vertrok richting Meersel. Diezelfde dag worden vermoeide soldaten met een kar van Hoogstraten naar Baarle gebracht. Op 29 januari wordt opnieuw krijgsvolk per kar van Hoogstraten naar Baarle vervoerd. Op 4 en 5 februari vertoeft graaf van den Berg in Baarle. Daarna is hij in Herentals tot half februari. Op 14 februari trekt een konvooi door Meerle naar Baarle. De trommel wordt gehoord tot in Hoogstraten. Rond 16 februari leggen de belegerden in Breda een dam aan in de Mark om de hele streek onder water te zetten. De dam brak door waardoor het opzet mislukte. Op 18 februari 1625 bevindt het Spaanse leger zich ten noorden van Meerle en Baarle. In Minderhout liggen er minstens van april tot juni soldaten.

Op 24 februari verblijft Zijn Excellentie graaf van den Bergh (Z) nog steeds op het fort van Baarle. Vanuit Hoogstraten worden hem bezorgd: een kabeljauw van 35 stuivers, 100 oesters ter waarde van 2-10 en wit brood voor 2-16. In het "mandeken" bevinden zich tevens een partij oesters voor de heren Francquijn en Wyngaerden. Er ligt dan een dik pak sneeuw. Op 1 maart worden twee soldaten aangebracht die bevroren zijn. Op 10 maart ligt de sneeuw er nog. Op 15 maart is het aan het dooien en staan de wegen onder water. Die dag vallen 17 soldaten uit Baarle Hoogstraten binnen en verteren er voor 9-7, uiteraard zonder ervoor te betalen. In Breda begint hongersnood te heersen.  Op 4 april huwt Frederik Hendrik van Nassau met Amalia van Solms. Op 16 april wordt in Hoogstraten de moordenaar van een soldaat opgehangen. Verscheidene mensen worden in de buurt overvallen en "uitgeschud". Ook in mei zijn de wegen nog onveilig.

In Den Haag sterft Maurits van Nassau op 23 april 1625. Hij wordt opgevolgd door Frederik Hendrik. Breda geraakt steeds meer zonder munitie en voedsel. Op 2 mei werden paarden naar Lier en Herentals overgebracht: ze waren niet meer nodig aan het front. Breda zou weldra van uitputting door de knieën gaan. Graaf van den Berg zendt twee karren naar Antwerpen voor proviand en wijn: eens de overgave van Breda een feit is, moet er duchtig worden gevierd. Drie soldaten worden naar Brussel gezonden om te melden dat de overgave van Breda nakend is. In het leger heerst een opgewekte stemming.

Op 27 mei wordt bericht dat prins Frederik Hendrik (N), die Breda ter hulp is gekomen en bij Dongen zijn kamp heeft opgesteld, zich terugtrekt naar Loon-op-Zand. Hij probeerde vruchteloos de stad te ontzetten. De situatie in Breda is hopeloos: de rantsoenen brood en meel zijn bijna uitgeput. Veel inwoners sterven van honger en pest. Op 29 mei mag graaf van den Berg met de inwoners van Breda onderhandelen over de overgave van de stad. De Hoogstraatse schepenen vragen Van den Berg om de plakkaten welke de toevoer van levensmiddelen naar het Spaans leger verbieden, voor wat de Vrijheid betreft, te doen opheffen.

Na negen maanden belegering worden op 2 juni de vredesvoorwaarden aanvaard en het verdrag ondertekend. Op 5 juni trekken de troepen van de koning van Spanje Breda binnen. Op het schilderij van Velasquez "Las Lanzas" pronkt de ruiterij van graaf van den Berg met haar lange lanzen. Op 6 juni wordt Aartshertogin Isabella plechtig onthaald op het stadhuis van Breda. Tot 1637 zou Breda in handen van de Spaanse koning blijven, zie ook verder. Reeds op 6 juni begonnen de troepen zich terug te trekken. In Hoogstraten passeerde de hertog van Anholt. In de Republiek is iedereen diep onder de indruk van het verlies van Breda.

In Hoogstraten sterven vanaf 15 juli zes weken lang elke dag mensen aan de pest. Dagelijks passeren er zieke soldaten. Ook veel paarden komen om het leven. Meester chirurgijn Adriaen en de andere dokters verlaten de stad en vluchten met de schout, de drossaard en enkele schepenen (het rijke volk) naar Antwerpen. Drie schepenen sterven en de vorster is al sedert 17 april dood en niet vervangen. Pastoor Jan Verpoorten reist kort na 20 juli naar Mechelen om daar te sterven van de pest. Zijn opvolger Antonius van Mol houdt het na twee weken al voor bekeken. Eerst op 13 september komt er een nieuwe pastoor, Jan van Issem. Op 7 oktober wordt ook hij aangetast. Twee dagen lang lijdt hij aan een neusbloeding waarna hij overlijdt. Zonder burgerlijk en geestelijk gezag is de situatie onhoudbaar in Hoogstraten. Burgemeester Marten van Geel roept de hulp in van vrouw Aertssen, een pestmeesteres uit Zundert. Voor haar komst zijn er al 97 doden begraven (normaal 20 doden per jaar). Vanaf 19 augustus zal ze om de andere dag naar Hoogstraten komen om de zieken te verzorgen. De Minderhoutse vorster Lenaert en Peeter Hansen helpen haar daarbij. Ze verkocht elke patiënt drankjes voor een bedrag van 2-10. Uit die tijd is een Hoogstraats recept tegen de pest bewaard gebleven: "Men neme voor 2 stuiver olie van anijs, jeneverbessen en zoete amandelen. Meng met wijn of brandewijn en ga dan zitten voor een heet vuur, gestookt met eikenhout, totdat het zweet uitbreekt en kruip dan onmiddellijk in bed." Hete wijn wordt wel vaker voorgeschreven tegen de pest. De landdeken, E.H. Ivo Van den Heuvel van het Turnhouts begijnhof, schrijft gebeden voor tegen de pest. Op 22 september komt vrouw Aertssen afrekenen. Er wordt haar 45 gulden betaald voor bewezen diensten. Bij haar vertrek is de pest nog niet verdwenen. Er zijn dan al 111 doden begraven. In Minderhout sterven 95 parochianen, waarvan 83 aan de pest (gemiddeld sterven er jaarlijks slechts 6 inwoners). Verder sterven aan de pest ook een edelman uit het leger, een soldaat en een soldatenvrouw. De pest breekt uit op 19 juli. Geen dokter of geneesmiddel vermag er iets tegen. Iedereen, uren in 't ronde, is in paniek. Niet zonder reden, want ook Wortel, Meerle, Ulicoten, Baarle en Turnhout worden door de pest getroffen. Twee derden van de landerijen blijven onbebouwd, renten kunnen niet meer worden betaald en armoede heerst overal. In Turnhout is het stadsbestuur de stad ontvlucht en vergadert tijdelijk in Vosselaar.

In Baarle vallen er in in de tweede helft van1625 maar liefst 91 doden te betreuren. Ook pastoor Cornelius de Graeve wordt besmet bij het bezoeken van een pestlijder en sterft aan de gevolgen. Ook de eerste maanden van 1626 sterven er veel mensen: 151, waarvan 54 in januari en februari. Meerle telt geen 500 inwoners meer (1.260 omtrent 1525)

Op 12 maart 1626 komt de schepenbank van Hoogstraten voor de eerste keer na de pesttijd opnieuw bijeen. Normaal bestaat ze uit 15 personen, waarvan er nog slecht 4 overschieten: de burgemeester, twee schepenen en één gezworene. In de stad wonen nog 14 gezonde werkende mannen, . Op 20 april werd een telling gehouden. Er verblijven dan 21 gezinnen, o.a. arme ambachtslieden (o.a. kleermakers, kuipers, schoenlappers en metsers), handwerkers en behoeftigen die van aalmoezen moeten leven, enz. In totaal zijn er 70 communicanten (bewoners boven de 12 jaar, dienstboden niet meegerekend), waarvan slechts14 gezonde werkende mannen. Niet meer dan 8 bunderen land zijn bezaaid (672 are). Slechts 27 huizen zijn bewoonbaar, de andere zijn afgebroken of dreigen bij de minste storm ineen te storten. Deze schamele bevolking wordt nog dagelijks lastig gevallen om eten en drinken en soms met geweld uitgeschud en beroofd door de militaire konvooien die vanuit Lier of Herentals optrokken naar Breda.

Piet Hein verovert in 1628 de Spaanse Zilvervloot waardoor Spanje in financële moeilijkheden geraakt. Er is ook op het Iberisch schiereiland volop strijd om gebieden en macht. Dat begunstigt de aanval van Frederik Hendrik op Brabant en Limburg. Inname van 's Hertogenbosch in 1629 door 120.000 soldaten van Frederik Hendrik na een lang beleg en na pogingen van de Spanjaarden om met behulp van de Oostenrijks-keizerlijke troepen de stad te ontzetten.

De Verenigde Nederlanden sluiten in 1635 een verbond met Frankrijk om de Spanjaarden ook uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven. in het jaar erna begint een Retorsieperiode begint in de Meierij van 's Hertogenbosch: Noordelijke troepen overvallen menigmaal Rooms-Katholieke burgerlijke en geestelijke overheden, die gevangen worden genomen. Na de overval kunnen de gijzelaars worden vrijgekocht. Drie jaar lang leven de pastoors ondergedoken. In 1637 werd Siege of Breda in 1637 by Frederick Henry Breda Obsessa et Expvgnata J.BlaeuBreda belegerd door de troepen van Frederik Hendrik. De pogingen om de Spanjaarden volledig uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven, mislukken. Alleen enkele grensvestingen worden ingenomen: Breda komt terug in handen van de Staatsen. Antwerpen kon niet worden veroverd en Roermond en Venlo vielen terug in Spaanse handen.

Voltooiing van het raadhuis van Baarle-Nassau aan de Singel in 1639. Kasteel Bruheze in Baarle wordt "uijt sijn ruinen ende water met sijn torens" heropgebouwd in 1642 door schout Adriaan Verelst.

Frederik Hendrik, de echtgenoot van Amalia van Solms, overlijdt op 14 maart 1647. Amalia van Solms sluit op 8 januari en 27 december 1647 twee akkoorden met de vertegenwoordigers van de koning van Spanje, waardoor zij o.a. het land van Turnhout als een leen krijgt toegewezen. Bij de Vrede van Münster worden deze voorakkoorden bevestigd in het uiteindelijke vredesverdrag. Spanje verarmt zienderogen en wil vrede. Ook de Zuidelijke Nederlanden willen vrede: ze geraken steeds dieper in verval. Ook de Verenigde Nederlanden willen vrede: ze hebben liever het zwakke Spanje als buur dan het groeiende Frankrijk. De Noordnederlandse handel heeft er belang bij dat Antwerpen met zijn haven op het achterplan blijft. Frederik Hendrik wordt ernstig ziek en sterft. Willem II volgt hem op.

Verkondiging van de Vrede in AntwerpenIn 1648 luidt de acte waarbij de vrede wordt getekend:  "Articulen en conditien van den Eeuwigen Vrede geslooten tusschen den Groot-machtigen Koninck van Hispaignen/etc. ten eender/ ende de hoog-mogende Heren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden/ ten ander zijde onderteijckent en bezegelt den 30sten januarij 1648 Tot Münster..." De Republiek wordt een geheel zelfstandige, vrije staat. De grens wordt getekend op basis van de frontsituatie. Ook in 1830 wordt de grens opnieuw getrokken op basis van de frontsituatie op het einde van de 80-jarige oorlog. De grenzen tussen het huidige Nederland en België volgen voor een groot deel de frontsituatie bij het einde van de 80 jarige oorlog. Die grenzen werden na de afscheidng van België vastgelegd in het scheidingsverdrag getekend in Londen in 1839.

De handelingen van de overwinnaar blijven niet uit:  bij verordening  van 16 juni 1648 worden de kerken gesloten en eigent de Prins van Oranje zich alle kerkelijke goederen en kerken van de Baronie van Breda toe. Schout Adriaen Verelst komt namens de prins van Oranje-Nassau beslag leggen op alle kerkelijke goederen onder de Baronie van Breda, dus ook in Baarle-Nassau. Daar is een probleem, want de Remigiuskerk ligt op Spaanse grond. Hieronder iets over de nu Belgische en Nederlandse enclaves in Baarle, die vroeger Spaans (onder de Hertog) of Nassaus waren. De grenzen waren voor onze familie Roelands, maar zeker voor de familie Boeren van belang.

 


Enclaves in Baarle

Op het einde van de 12e eeuw ontstond er een grensconflict tussen Hertog Hendrik I van Brabant en Graaf Dirk VII van Holland. De laatste wilde zijn invloed naar het zuiden uitbreiden, terwijl Hendrik I liever een buffer tussen zijn hertogdom en het expansieve graafschap Holland wenste. Aldus sloot de hertog een bondgenootschap met de Heer van Breda, Godfried II van Schoten. Deze werd uiteindelijk, in 1198, leenman van de hertog, maar kon in ruil daarvoor een groot stuk land aan zijn bezit toevoegen, waarin een aantal enclaves lagen die aan de Abdij van Thorn of de hertog toebehoorden. Een dergelijk patroon was in die tijd niet ongebruikelijk. In de buurt van Baarle is de grens echter nimmer gecorrigeerd, ook niet toen in 1648 de grens tussen de Spaanse en de Staatse gebieden werd vastgesteld, en al evenmin toen België zich in 1830 losmaakte van Nederland.

De enclaves speelden niet alleen staatkundig maar ook religieus een rol. Het was Amalia van Solms, de vrouw van Frederik Hendrik, die opkwam voor het behoud van de enclaves, zodat de Baarlese katholieken ook na de Vrede van Münster, in 1648, hun geloof konden uitoefenen. De Sint-Remigiuskerk bevond zich immers op het grondgebied van de Spaanse Nederlanden. Door dit alles is te verklaren, dat het centrum van Baarle, één grote en veel dicht bijeen liggende kleine enclaves te vinden zijn. De wat op afstand gesitueerde enclaves komen voort uit eenzaam gelegen akkertjes of boerderijtjes, of velden waar turf werd gewonnen in een moerassig gebied. In 1995 zijn de enclavegrenzen Rijksgrenzen geworden, die voorgoed zijn vastgesteld.

In 1661 werd bij de Raad van State van de Republiek een klacht ingediend. De regenten van Weelde en Poppel beletten de inwoners van het gehucht Groot-Bedaf het vrije gebruik van de vroente. Hierbij kregen ze de steun van de Raad van de Zuidelijke Nederlanden. Hierop liet de Raad van State een onderzoek instellen naar de grenzen tussen het Land van Turnhout en Baarle-Nassau, dat bij de Baronie van Breda behoorde. In 1667 werden de grenzen voor het eerst opgetekend. Er werden 30 enclaves onderscheiden: 22 van Baarle-Hertog, en acht van Baarle-Nassau, waarvan zeven binnen de enclaves van Baarle-Hertog en de achtste bij het gehucht Ginhoven.

 


Geschiedenis Meerle

Dit is het dorp waar de familie Boeren het eerst werd aangetroffen. De eerste sporen van bewoning stammen uit het jaar 992. In een akte uit dit jaar is er sprake van een schenking van enkele goederen te Baarle, de plek waar het dorp op kerkelijk vlak eeuwenlang toe behoorde, aan de abdij van Thorn. De Gravin van Strijen, Hilsondis, had toen grote delen van het huidige West-Brabant in bezit. Samen met haar man Ansfried stichtte zij in Thorn de Abdij van Thorn. Om het klooster van inkomsten te voorzien, schonk Hilsondis haar bezittingen aan de abdij. De schenking van haar Baarlese bezittingen staat vermeld in een kopie van een akte waarvan het origineel zou dateren uit 992. De originele akte is echter verloren gegaan en de kopie zou op een vervalsing berusten. De naam Meerle zelf duikt dan weer voor het eerst op in een akte uit 1223 toen in de toenmalige kapel een benificie gesticht werd. Meerle was een zelfstandige gemeente tot einde 1976.

 

In het gehucht Elsacker te Meerle, momenteel zelf deelgemeente van Hoogstraten, stond aan de Chaamse Weg 38 een statig herenhuis dat de naam “Villa Lauwers-Dupret” droeg (zie foto). Hier woonde het gezin van generaal-majoor William Lauwers [zie ook militaire geschiedenis] en Jeanne Dupret. De plaats was ook bekend als het “Kasteel Elsacker,” omdat hier vroeger het kasteel van rentmeester Wouter Van den Elsacker, rentmeester voor de abdij van Thorn die er in 1588 woonde, zou hebben gestaan. Omstreeks 1500 bevond zich hier naar verluid al een schrans, een verdedigd bolwerk waar mensen in tijde van oorlog hun toevlucht zochten met hun goed en vee. Omstreeks 1700 was het voormalige kasteel een buitenverblijf van de rentmeesters van de abdij van Thorn. Het bleef in bezit door de familie Van Beeck, rentmeesters van Thorn, tot aan de dood van Magdalena Van Beeck op 5 januari 1797. Zij was weduwe van Jan Michael Soreth, rustend kolonel van de Bataafse republiek. Zijn naam zou verbonden blijven aan de hoeve nabij het kasteel. Na haar dood kwam het goed in het bezit van Jan Petrus Eeltjens, een familie uit Breda. Bij erfenis ging het over aan de familie Dupret-Bruggeman uit Brussel op 12 oktober 1860. De eigendom werd vervolgens verdeeld en het huis kwam in 1899 toe aan William Lauwers-Dupret die het heropbouwde in 1904 en die bij de verhuis feestelijk werd ingehaald te Meerle.

 

William Lauwers werd vermeld in 1910 naar aanleiding van een verlenging met 9 jaar van zijn jachtrecht op gronden van de kerkfabriek en bij de opstart van de feestzaal “Ons ’t huis” waarbij gronden werden afgekocht “van kolonel Lauwers.” William Lauwers werd geboren op 3 februari 1856 te Antwerpen. Hij overleed op 13 november 1924 te Brussel. Hij werd begraven in het familiegraf Lauwers-Dupret bij Sint-Salvator te Meerle.

 

Geschiedenis Meersel en Dreef

De naam Meersel wordt voor het eerst vermeld als Meersele, wat plaats aan een waterplas betekent. Meersel was reeds rond het jaar 1200 bewoond. Deze bewoners waren afkomstig uit Meer. Meersel is ouder dan Meerle dat vanuit Baarle ontgonnen werd. Er ontstond zo een straatdorp langs de weg Leuven-Breda. Meersel werd al vroeg verdeeld over de heerlijkheden Meer (eigendom van de Heer van Meer) en Meerle (eigendom van de abdij van Thorn) en dit zou gedurende de ganse middeleeuwen niet wijzigen. Ook bij het ontstaan van de gemeenten in 1795 bleef het gehucht verdeeld over de 2 gemeenten.

In 1223 werd te Meersel reeds een kapelletje gebouwd. In 1421 werd een nieuwe kapel gebouwd in opdracht van de Heer van Hoogstraten. Deze kapel, de Sint-Luciakapel, werd ingewijd op 28 april van dat jaar en ze deed dienst als hulpkapel voor de kerk van Meerle. Tot op de dag van vandaag is de kapel een druk bezochte bedevaartplaats. In 1935 en in 1982 werd ze gerestaureerd en in 1953 werd de kapel geklasseerd als beschermd monument.

Meersel bleef lange tijd zeer landelijk. Meer naar het noorden, aan de grens met Nederland ontwikkelde zich een nieuw gehucht Dreef dat sterker bebouwd was en ook het centrum van de gezamenlijke parochie Meersel-Dreef werd. De bebouwing van de gehuchten is naar elkaar toegegroeid zodat de twee gehuchten nu als één dorp met de naam Meersel-Dreef aangezien worden. Bij de fusie van Meerle en Hoogstraten heeft men ervoor gekozen om Meersel en Dreef als woonkern samen te voegen tot Meersel-Dreef.

In Meersel-Dreef ligt ook het noordelijkste punt van het huidige België.

Dreef

Dreef is ontstaan rond het Kapucijnenklooster dat in 1687 werd gebouwd in de buurt van de Mark. De kloosterkerk doet dienst als parochiekerk voor de parochie Meersel-Dreef en het klooster zelf doet sinds 1968 dienst als kapelanij. In 1889 werd een beukendreef naar het klooster aangelegd. De Dreef, die sinds 1953 beschermd is, gaf zijn naam aan het gehucht dat er rond ontstond. Verder zijn als monument erkend het Mariapark (bedevaartsoord) en de Meerselmolen, een watermolen op de rivier de Mark die dateert uit de 14e eeuw.

Geschiedenis Strijbeek en Galder

Het huidige StrijbeekKaartjeStrijbeek is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan als beekdalnederzetting. Hier kwam de Oude Bredase Baan (van Turnhout, via Baarle) uit op de verbindingsweg tussen Hoogstraten en Breda. Het dorp is, ondanks deze gunstige ligging, nooit écht tot ontwikkeling gekomen. Na de schermutselingen van de 80-jarie oorlog, met vaak doortochten van troepen naar Breda, Hoogstraten en Turnhout, brak er een relatief rustiger periode aan. De familie Boeren had aan de zijde van Meerle een boerderij en waren een aantal generaties bedemeester of borgemeester, zeg maar tussenpersoon en borg voor de belastingen in een deel van het gebied. De belastingen waren verschuldigd aan de heren van Breda, de Nassaus in die tijd. Kerkelijk hoorden de Boerens bij de parochie van Sint-Salvator in Meerle, waardoor ze hun kerk niet hebben moeten afstaan aan de protestanten. Er was begin 16e eeuw een kerkje gebouwd in Strijbeek, gewijd aan Sint-Hubertus, vrij groot voor de gemeenschap (of was men toen met veel meer mensen?). In 1872 werd het vervangen door de huidige kleinere kapel, waarschijnlijk was de oorspronkelijke kapel bouwvallig geworden en was nieuwbouw voordeliger voor de kleine gemeenschap.

Strijbeek is nu een dorp in de gemeente Alphen-Chaam, in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Op 4 augustus 2017 had het dorp 230 inwoners. Strijbeek behoorde vroeger tot de gemeente Ginneken en Bavel en van 1942 tot en met 1996 bij de gemeente Nieuw-Ginneken.

De buurtschappen Grazen, Heerstaaien, Kerzel (deels) en Notsel vallen ook onder het dorp Strijbeek.


Omstreeks de 10e eeuw moet op de plaats van het huidige Galder al een nederzetting zijn geweest. In 1299 werd de plaatsnaam voor het eerst vermeld. In een document werd het tiendrecht toegewezen aan de Abdij van Thorn. Aan de noordzijde van het huidige dorp bevonden zich de hoeven van deze Abdij, waaronder de Oude Hoeve van Galder ofwel de cijnshoeve, die voor het eerst genoemd werd in 1343.

Geschiedenis Baarle (verbonden met Meerle en in de regio)

Voorgeschiedenis

Tal van archeologische vondsten bewijzen dat de omgeving van Baarle al een lange bewoningsgeschiedenis heeft. Zo werd in 1842 op de Bedafse Heide een Germaanse begraafplaats gevonden, en op de Molenheide een Frankische begraafplaats. Ook een bronzen strijdbijl werd aangetroffen, en in de buurtschap Tommel (de naam is afkomstig van het Romeinse Tumulus of grafheuvel) werd een urn opgegraven.

Uit archeologisch onderzoek in 1950 bij de Sint-Salvatorkapel is gebleken, dat er sinds de 8e eeuw op die plek ook al een kapel moet hebben gestaan. Dit was de tijd van Willibrord. Hij en zijn volgelingen bouwden hun kapellen bij voorkeur op oude heilige plaatsen. De eerste vermelding van Baarle dateert uit 992. De Gravin van Strijen, Hilsondis, had toen grote delen van het huidige West-Brabant in bezit. Samen met haar man Ansfried stichtte zij in Thorn de Abdij van Thorn. Om het klooster van inkomsten te voorzien, schonk Hilsondis haar bezittingen aan de abdij. De schenking van haar Baarlese bezittingen staat vermeld in een kopie van een akte waarvan het origineel zou dateren uit 992. De originele akte is echter verloren gegaan en de kopie zou op een vervalsing berusten.

Ontstaan van het dorp

Nabij de huidige Baarlese buurtschap Loveren kwamen vanouds een aantal belangrijke verbindingswegen bij elkaar, die mogelijk al in de Romeinse tijd zijn aangelegd. Het gaat om de weg Turnhout-Breda, de weg Nijmegen-Antwerpen (via Alphen en Castelré), en de weg Maastricht-Domburg.

Ten oosten ontstond langs de Maastrichtse baan in het gebied waar de Lei ontspringt, het gehucht Bedaf, het huidige Groot-Bedaf. Ten oosten van de weg van Turnhout over Tommel naar Loveren ontstonden de gehuchten Reth en Schaluinen. Aan de weg naar Weelde ontstonden Nijhoven, Keizershoek en Veldbraak. Meer naar het zuiden ontstonden de gehuchten Gorpeind en Ginhoven. Aan de weg naar Hoogstraten lagen ten oosten van de weg de gehuchten Eikelenbosch en Heesboom. Ten westen van deze weg lag de Heerlijkheid Reuth.

Loveren was aanvankelijk de belangrijkste buurtschap, omdat de wegen daar elkaar kruisten en er ook een plaetse bestond: het driehoekige plein dat kenmerkend is voor veel Brabantse buurtschappen. De straten bij de Sint-Remigiuskerk waren nog spaarzaam bebouwd, zo blijkt uit een oorkonde uit 1429.[1].

Wegverbetering

In de 17e en de 18e eeuw werden de wegen in de Baronie verbeterd. Aan het eind van de 17e eeuw was de weg van Turnhout naar Ginneken als laatste aan de beurt. De weg kronkelde door de heide tussen Baarle en Ginneken. De weg werd geëffend, langs de wegen werden greppels gegraven, opdat het regenwater van de wegen geen modderpoel zou maken. Ook werden er langs de wegen dennenbomen geplant. Tijdens de Spaanse Successieoorlog zouden de wegen veelvuldig gebruikt worden. Besloten werd daarom om de wegen te voorzien van kasseien. De dorpen waaraan deze wegen lagen, waaronder Baarle, Goirle en Alphen, moesten meebetalen. Er werd besloten dat de afzonderlijke dorpen verantwoordelijk waren voor het onderhoud in hun bebouwde kom. De kosten van de wegen tussen de dorpen werden gedeeld door de dorpen. Vanaf 1751 werden de wegen naar Ginneken en verder naar Breda verder verbeterd. Baarle was verantwoordelijk voor de wegen in Baarle en deelde mee in de kosten tussen Baarle en Chaam. De houten brug over de Chaamse beek werd voor het grootste gedeelte bekostigd door Baarle, ook al lag deze beek op Chaams grondgebied. Ook werden de wegen naar Ulicoten en Zondereigen verbreed en met dennen beplant.

De weg naar Poppel liep oorspronkelijk over Nijhoven en Veldbraak. Door de aanleg van een nieuwe weg via Groot-Bedaf werd de route met een half uur verkort. Halverwege ontstond het gehucht Voske. De Singel voor de Sint-Remigiuskerk werd steeds belangrijker voor het dorp. Ook aan de Singel werden nu herbergen gebouwd, zodat het handelscentrum zich steeds meer van Loveren naar Baarle verplaatste. In 1639 werd hier ook een raadhuis gebouwd.

Er ontstond in deze tijd wel een probleem met de breedte van de karren. In de Baronie van Breda werd namelijk voorgeschreven dat de karren verbreed moesten worden. In Baarle, maar ook in de omliggende dorpen waar de wegen nog van zand waren, ontstond veel ophef over dit besluit. Niet alle boeren waren vermogend genoeg om bredere karren aan te schaffen, zodat de wegen veel te lijden zouden hebben. Door de tegenstand van vele dorpen werd besloten dat de verbreding van de karren alleen in het gedeelte van de Baronie dat tot het Kwartier van Antwerpen behoorde, werd voorgeschreven, omdat het daar toch al gemeengoed was.

Franse tijd

 

 

Nieuwe tijd

In 1908 vestigden zich vanuit België de Broeders van De La Salle in Baarle. Daar werd een pensionaat en een school gesticht. In 1987 waren zij weer vertrokken.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het grootste deel van België door de Duitsers bezet en hermetisch van Nederland afgescheiden door een hoogspanningsraster. De Duitsers durfden het echter niet aan om de enclaves binnen te trekken, aangezien deze binnen Nederlands grondgebied lagen en Duitse troepen zich dan door het neutrale Nederland moesten begeven. Aldus bleef de Belgische post en telegraaf werkzaam buiten Duitse controle om.

Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral sedert het einde van de 20e eeuw, zijn de Belgische en Nederlandse diensten steeds meer gaan samenwerken. Een aantal zaken zijn gescheiden, andere zijn samengevoegd of in hetzelfde gebouw gevestigd, zoals in 1997 de politiekorpsen. Ook hebben de gemeenten Baarle-Hertog en Baarle-Nassau nu een gemeenschappelijke website.


De Slag bij Hoogstraten werd op 11 januari 1814 uitgevochten tussen het Franse leger en geallieerde Pruisische, Russische en Britse troepen. De slag was een reeks van bloedige treffen tijdens de Zesde Coalitieoorlog langs de huidige Belgisch-Nederlandse grens van Essen tot en met Turnhout. De slag werd vernoemd naar Hoogstraten als de belangrijkste stad in de regio.

Afbeelding: medaille (oktober 1814) gemaakt voor het Congres van Wenen, met vermelding van de Slag van Hoogstraten, collectie Stedelijk Museum Hoogstraten

Verloop

De geallieerden kwamen op 11 januari 1814 sterk opzetten vanuit de regio Breda. Hoofddoel van het offensief was Antwerpen en de belangrijke haven aldaar. Vooral de strijd in het centrum van Minderhout was ongemeen hevig en hard. Met de bajonet op het geweer werd lijf-aan-lijf gevochten om het oude kerkhof in een brandend Minderhout. Ook andere gemeenten, zoals Meer, Wortel, Hoogstraten-centrum, Loenhout en Malle, deelden in de klappen. De verliezen aan beide zijden liepen hoog op. Honderden militairen werden gedood of gewond. De slag en haar nasleep hadden een grote impact voor de bevolking in de Noorderkempen.[1]

Dit betekende het einde van de Franse Tijd in Hoogstraten.[9]

 


Historie van Breda...

 Breda en diens heersers lieten ongetwijfeld hun invloed volen tot in de huidige grensstreeek van Meer en Meerlee waaar de families Roelands en Boeren hun wortels hebben. Daarom motett ook ietsover de historie van Breda in die tijd worden vermeld;

ederzetting en burcht

Overeenkomst

Breda 1350 bevestigd met muren en wallen

Breda in 1653 volgens Willem en Joan Blaeu

Breda 1743,gegraveerd door B.F. Immink

Breda 1869[2]

Nadat er in 1125 melding is gemaakt van een nederzetting wordt er in de 12e eeuw aan de rechteroever van de Mark bij deze nederzetting een burcht, het Kasteel van Breda, gebouwd. De locatie was ongeveer halverwege Brabant en Holland. De nederzetting lag op een uitloper van uitgestrekte zandgronden. Op deze zandgronden waren reeds andere steden, zoals Bergen op Zoom, tot bloei gekomen. Ook lagen bij deze nederzetting verschillende kruispunten van wegen die van het noorden naar het zuiden gingen en van oost naar west. De nederzetting werd omwald en tijdens de Nederlandse Opstand enorm uitgebreid.Lunet B is het enige overgebleven stuk van dit in de 16e en 17e eeuw uitgebreide en verbeterde verdedigingswerk.

De burcht die bij deze nederzetting is gebouwd, moest de scheepvaart op de Mark controleren en werd spoedig bewoond door de Heren van Breda. In 1198 wordt voor het eerst melding gemaakt van het Castellum van Breda. De natuurlijke verbreding op de plaats waar de Mark en de Aa samenvloeiden, was ideaal voor een aanleghaven[3]. Hiermee hangt ook de naam van Breda ("brede Aa") samen.
Andere historici vinden een dergelijke interpretatie een renaissancistische verdichting en wijzen op een mogelijk pre-germaanse oorsprong.[4]
De rivier de Mark begint als een nietig stroompje bij Merksplas in België. Pas vanaf Breda, waar zij samenvloeit met de Aa wordt zij een ongeveer twintig meter brede, diepe stroom. Het dal waar de rivier in stroomt, is echter enkele honderden meters breed. Het dal kon gemakkelijk onder water lopen, zeker als het vloed was. De Mark stond immers in open verbinding met de zee. Eeuwenlang bestond er een sterke getijdenwerking die zelfs tot in Hoogstraten merkbaar was. In de Bredase haven bedroeg het verschil ongeveer zestig centimeter.[3].

Een eigen bestuur

Omdat er vroeg in de 12e eeuw melding gemaakt wordt van een nederzetting met de naam Breda, mag aangenomen worden, dat de stad dus niet gesticht is, zoals dat het geval was met 's-Hertogenbosch in 1185.  's-Hertogenbosch werd door de hertog van Brabant gesticht om de noordgrens ten opzichte van het hertogdom Gelre te markeren en verdedigen. Tevens is bekend dat in 1116 de naam Breda voor het eerst wordt gebruikt als familienaam. Men mag aannemen dat het verkrijgen van stadsrechten een opwaardering is van de nederzetting.

De koop van de privileges van de heer Hendrik IV van Schoten in 1252 wordt beschouwd als de handeling waardoor Breda stadsrechten heeft verkregen. Anderen zijn de mening toegedaan dat Breda reeds eerder stadsrechten had. Een oorkonde daaromtrent ontbreekt echter. De mogelijkheid wordt geopperd, dat Breda kort na 1200 stadsrechten kreeg, toen Breda omwald werd met palissaden voorzien van stenen poorten[5]. In een overeenkomst tussen de hertog van Brabant en de heer van Breda uit 1223[6] wordt in een Nederlandse vertaling gesproken over: “De Burgt en Stadt van Breda”, de (oorspronkelijke) Latijnse tekst luidt echter: "Castrum & Villa", dat juist vertaald burcht & boerderij, gehucht of dorp betekent. Voor burcht & stad zou de Latijnse aanduiding immers "Castrum & Civitas" zijn geweest. Op basis hiervan lijkt het aannemelijk dat Breda eerst na 1223 stadsrechten heeft verkregen, waardoor ook het jaar 1252 weer in aanmerking komt.

Het gevolg van het verkrijgen van stadsrechten was dat de horigen stadse vrijheid kregen. Ze waren geen eigendom meer van de heer van Breda en vielen onder het stadsrecht. Breda moest hierdoor ook een nieuw rechtscollege vormen. Zo'n rechtscollege werd in deze periode de schepenbank genoemd. Dit woord is afgeleid van het Middelnederlands woord sceppen, wat scheppen betekent; een schepenbank schept namelijk recht. Het stadsbestuur was verantwoordelijk voor de rechtspraak en de uitvoering ervan. Het idee van Charles Montesquieu[7] om de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht van elkaar te scheiden, werd pas vijf eeuwen later bedacht.

Het verkrijgen van de stadsrechten was waarschijnlijk het gevolg van een burcht aan de oever van de Mark. Deze burcht werd Castellum van Breda genoemd. Bij deze burcht was er een nederzetting met een kerk, die vermoedelijk van tufsteen was gebouwd. Deze kerk stond op de plaats waar nu de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk staat. Rond deze nederzetting had men een aarden wal opgeworpen met daarom heen een gracht. De gewonnen aarde ten behoeve van de gracht, werd gebruikt voor de omwalling. Deze omwalling was waarschijnlijk de aanleiding van Godfried II van Schoten[8] om Breda op te waarderen en stadsrechten te verlenen. Uit archeologisch onderzoek tussen 1976 en 1983 is gebleken dat deze omwalling dateert van tussen 1198 en 1212.

Binnenstad

De omwalling had de vorm van een hoefijzer. De opening daarvan lag in het westen bij de rivier. De aan wal gebrachte goederen werden binnen de omwalling verkocht. Over het algemeen stimuleerde de omwalling van een stad de handel, zo ook in Breda. Vanuit de wijde omtrek trokken mensen naar Breda om daar hun handel te drijven. Breda, liggende in het kwartier van Antwerpen, trok natuurlijk ook handelaren uit Antwerpen naar Breda.

In het begin van de 14e eeuw rond 1333 wordt Breda ommuurd. Men kan de stad in en uit via drie stadspoorten, de Eindpoort op de kruising Eindstraat-Karnemelkstraat, de Gasthuispoort op het kruispunt van de Veemarktstraat en de Vlasmarkt en de Tolbrugpoort vlak bij de haven op het einde van de Tolbrugstraat. Restanten van de funderingen van de stadsmuur zijn te zien in het Park Valkenberg. Al snel breidt de stad zich uit buiten de poorten en worden de muren vervangen door vestingwerken. In de Middeleeuwen is Breda kleine handelsstad van circa 30 hectare. In de 14e eeuw waren er circa 2700 inwoners.

Breda had drie stadspoorten, de Haagpoort of Antwerpse poort en een wapenplein aan het einde van de Nieuwe Huizen, bij de tegenwoordige Fellenoordstraat. De poort is gebouwd in 1682 tussen de bastions Prins en Holland. Er was een brug en dam naar het ravelijn Bülow vanwaar men over een brug op de Straatweg naar Antwerpen kon. De enige versiering was een sluitsteen met een leeuwenkop, die zich bevindt in het Breda's Museum. De tweede stadspoort was de Ginnekenpoort die zich bevond tussen de bastions Noord en Chassé, waarop de molen De Vier Winden stond, welke in 1912 is afgebroken. Links van de poort was het molenaarshuis. In zuidelijke richting was er een dam naar de Ginnekenpoort die uitkwam op het ravelijn Greve en vandaar sloot de weg aan op de Straatweg naar Ginneken. De Ginnekenpoort is gesloopt tussen 4 maart en 11 april 1870. De derde stadspoort was de Boschpoort, gebouwd in 1774 was gelegen op de kop van de Boschstraat met een wapenplein. De Boschpoort lag tussen de bastions 's Bosch en Mansfeld. Voor de poort was het ravelijn Prins Maurits. Buiten de poort splitste de weg zich in linksaf naar Terheijden en Moerdijk en rechtdoor naar 's-Hertogenbosch en Oosterhout. De Boschpoort had het wapen van de stad. Op het fronton aan de buitenzijde was het wapen van Prins Willem V.

Band met de Nassaus

Van oudsher is er een band tussen Breda en het huis Nassau door de heren van Breda wonende op het Kasteel van Breda. Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg ligt begraven in het Praalgraf van Engelbrecht I van Nassau in de Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk aan de Grote Markt in Breda.
De prins van Oranje, Frederik Hendrik, stichtte in 1646 een Illustere school in Breda, die de naam College van Oranje kreeg.

Heren van Schoten

De oudste heren van Breda waren van het geslacht Brunesheim. Zij kwamen uit Tienen in de Haspengouw (tegenwoordig in Vlaams-Brabant) en vestigden zich rond 1100 in de streek tussen Antwerpen en Breda, waar zij Heren van Breda en Schoten werden.
Toen Hendrik V, de laatste heer van Breda uit dit geslacht, in november 1268 kinderloos stierf, gingen zijn bezittingen naar zijn zus Isabella en haar man Arnoud van Leuven, heer van Gaasbeek.

De splitsing van 1287

Aangezien Arnoud en Isabella zelf ook geen kinderen hadden, splitsten zij de heerlijkheid in tweeën. Na de dood van Arnoud in juli 1287 (Isabella was al in 1280 overleden) ging het westelijke deel (Bergen op Zoom) naar de nakomelingen van Isabella's oudtante Beatrix, die getrouwd was met Arnold II van Wesemaele.

Geslacht van Gavere

Het oostelijke deel (Breda) ging naar de nakomelingen van Isabella's oudtante Sophie, die getrouwd was met Raso VI van Gavere, heer van Liedekerke. Hun zoon Raso VII van Liedekerke werd als Raso I de eerste heer van Breda uit het geslacht van Gavere. Vier generaties later (Raso I, Raso II, Raso III en Philips) kwam Breda in handen van Philips' dochter (en enige kind) Adelheid van Gavere en haar man Gerard van Rasseghem.

Verkoop aan Brabant in 1326

Dit echtpaar verkocht de heerlijkheid Breda in 1326 aan hertog Jan III van Brabant. Deze verpandde Breda in 1339 aan Jan I van Polanen uit het geslacht van Wassenaar en stelde diens halfbroer Willem van Duivenvoorde aan als heer in usufruct (vruchtgebruiker).

Geslacht van Polanen

Samen met zijn zoon Jan II van Polanen (1324-1378) pandde Jan I vanaf 9 december 1339 van hertog Jan III van Brabant de heerlijkheid Breda, waarvan zijn halfbroer Willem het vruchtgebruik kreeg. Samen met zijn vader bouwde Jan II er een kasteel. In 1350 verkocht Jan III van Brabant het Land van Breda voor 43.000 florijnen aan Jan II van Polanen en werd het gebied een hoge heerlijkheid.

Het geslacht van Nassau in de Nederlanden vanaf 1403

Erfdochter Johanna van Polanen (1392-1445), vrouwe van Breda en de Lek, trouwde op 1 augustus 1403 in Breda met Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. Tot Johanna 's erfenis behoorden vele heerlijkheden en ridderhofsteden in Holland en Brabant, Henegouwen, Utrecht en Zeeland. Door dit huwelijk begon de opkomst van het Huis Nassau in de Nederlanden. Aangezien Johanna het enige kind was van Jan III van Polanen, kwamen diens titels, via Johanna, terecht bij Jan IV van Nassau, de zoon van Engelbrecht en Johanna. De titels Heer van Polanen en Baron van Breda behoren nu, ruim zes eeuwen later, nog steeds tot de titels van de Nederlandse koning(in).

Tachtigjarige oorlog

Kaart van gedeelte Brabant in 1645 gemaakt door Blaeu

Kaart van gedeelte Brabant in 1645 gemaakt door Blaeu

Brabant start de algemene opstand

Bij de opvolger van keizer Karel V, Filips II van Spanje liep het echter mis. De Tachtigjarige Oorlog brak uit omwille van diens eigenzinnige kerkhervormingen. In het begin hield Brabant zich afzijdig, maar na de massale muiterijen onder de Spaanse troepen en uiteindelijk de plundering van Antwerpen (stad) (de Spaanse Furie) in november 1576, riepen de Staten van Brabant op eigen voorstel de Staten-Generaal van de Nederlanden bijeen, waaruit de Pacificatie van Gent voortkwam. Even later verenigden alle gewesten (behalve Luxemburg) zich in de Unie van Brussel tegen de aanwezigheid van de Spaanse troepen. Op deze manier wist Brabant in samenwerking met Willem van Oranje de gematigde en radicale opstandelingen te verenigen. De nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, moest zwichten voor deze massale opstand en liet zijn troepen terugtrekken naar het Spaansgezinde Luxemburg na de ondertekening van het Eeuwig Edict.
Maar de vrede is van korte duur en na de verovering van de Citadel van Namen op 24 juli 1577 en de volledige vernietiging van het staatse leger in de Slag bij Gembloers op 31 januari 1578, wist Don Juan de stad Leuven te veroveren. Brabant was toen sterk verzwakt, en in sommige steden braken gevechten los tussen calvinisten en katholieken.

Parma's offensief

Zie ook Parma's negen jaren.

De opvolger van Don Juan, de Spaanse generaal Alexander Farnese, heroverde in de jaren 1579-1585 geheel Brabant.
Op 1 juli 1579 vond het Schermersoproer plaats; toen raakten de calvinisten en katholieken van 's-Hertogenbosch met elkaar slaags en na een bloedig gevecht overwonnen de katholieken, die de stad uitleverden aan de Spanjaarden. Om te voorkomen dat het katholieke Mechelen hetzelfde zou doen, nam de staatse burgemeester van Brussel, Olivier van den Tympel de stad uit voorzorg in (Engelse furie). Bovendien sloten alle Brabantse steden (natuurlijk op de Spaanse steden 's-Hertogenbosch en Leuven na) zich dat jaar aan bij de Unie van Utrecht. In 1581 verklaarden de bij deze Unie aangesloten gewesten zich onafhankelijk met het Plakkaat van Verlatinghe. Ondertussen veroverden de Spanjaarden Breda (Furie van Houtepen). Het volgende jaar valt Lier door verraad in Spaanse handen.

In 1585 komt de genadeklap; de steden Brussel en Mechelen gaan verloren, en uiteindelijk ook de belangrijkste stad Antwerpen, die al maandenlang werd belegerd terwijl hulptroepen uit het noorden meermalen vergeefs geprobeerd hadden de stad te ontzetten. De Val van Antwerpen wordt gezien als de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Ten slotte vallen ook Grave (1586), en Geertruidenberg (1589). Alleen Bergen op Zoom blijft uit handen van de Spanjaarden.

Maurits' offensief

Zie ook Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog).

Met de vernietiging van de Spaanse Armada in 1588 keerde het tij van de oorlog; Maurits van Oranje-Nassau en Willem Lodewijk begonnen een grote veldtocht om Brabant te heroveren voor de Republiek der Verenigde Nederlanden. Als eerste werd Breda heroverd met het Turfschip.
Later versloeg Frederik Hendrik de Spanjaarden in het Beleg van 's-Hertogenbosch. Uiteindelijk werd het noordelijk deel van Brabant bij vredestraktaat door Filips IV van Spanje overgedragen aan de Republiek als Generaliteitsland, het zogenaamde Staats-Brabant. Het werd bestuurd door de Noordelijke Staten-Generaal.

Generaliteitsland van de Republiek

Het noorden van Brabant fungeerde voornamelijk als wingewest en militaire bufferzone, pogingen van de Republiek om de bevolking van Noord-Brabant protestant te maken mislukten dan ook. In deze periode werd Noord-Brabant stelselmatig financieel uitgekleed door de Republiek, waardoor er van economische ontwikkeling nauwelijks sprake was. Omdat de overgrote meerderheid van de bevolking katholiek bleef of uit frustratie weer was geworden, werd Noord-Brabant niet als volwaardige, achtste provincie tot de Republiek toegelaten. De katholieken in Noord-Brabant werden door de Republiek beperkingen opgelegd in hun geloofsuitoefening, hierdoor ontstonden vele schuilkerken.

Franse tijd

Zie ook Franse tijd in Nederland en Bataafs-Brabant.

In 1795 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden omvergeworpen en de Bataafse Republiek gesticht, die de katholieken als gelijkwaardige burgers erkende. De grenzen verschoven vele malen in de Franse tijd. Het Generaliteitsland Staats-Brabant werd in 1795 een provincie, met de naam: Bataafs-Brabant, maar al in 1798 werd die opgesplitst nieuwe departementen door de Franse overheersers.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Na de val van Napoleon in 1815 werd op het Congres van Wenen bepaald dat onder andere de Oostenrijkse Nederlanden en de voormalige Bataafse Republiek samengevoegd zouden worden tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Heel het gebied van het oude hertogdom Brabant werd nu weer in één staat verenigd en verdeeld in drie provinciën: Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant (met Brussel en Leuven). Noord-Brabant werd bij die gelegenheid uitgebreid met enkele stukken van Holland (de gebieden ten zuiden van het Hollandsch Diep en de Merwede) en de voormalige heerlijkhedenMegen, Boxmeer, Gemert en Ravenstein.

Tijdens de Belgische Opstand in 1830 bestond er onder de bevolking van het voor 90% katholieke Noord-Brabant wel enige sympathie voor de Belgische zaak, maar die bleef binnen de perken en de uitingen daarvan konden door de Nederlandse autoriteiten zonder veel moeite worden onderdrukt.

Nederlandse provincie

Vanaf het einde van de 19e eeuw werd de provincie meer en meer geïndustrialiseerd. Textiel werd geproduceerd in Tilburg en Helmond, terwijl Eindhoven uitgroeide tot de vijfde stad van Nederland dankzij Philips en DAF. Voormalige kleine plaatsen groeiden zo snel uit tot nieuwe industriesteden. Breda en 's-Hertogenbosch stonden bekend als historische centra en als oude garnizoenssteden van Brabant, getuige de vele kazernes die de beide gemeentes herbergen. Daarnaast is ook Bergen op Zoom een oude garnizoensstad met een monumentale historische kern.

Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch

Het Rijke Roomse Leven

Vanaf ongeveer 1900 en vooral na de Eerste Wereldoorlogverzuilde Noord-Brabant sterk (evenals de rest van Nederland). Bijna het gehele openbare leven zoals scholing, gezondheidszorg en vrijetijdsbesteding werd door de kerk aangestuurde verenigingen, vakbonden, etc. beheerst. Iedere katholieke Brabander werd geacht hieraan deel te nemen en de sociale controle hierop was groot. Dit wordt ook wel het tijdsbestek van het Rijke Roomse Leven genoemd. Na het Tweede Vaticaans Concilie en tijdens de roerige jaren 60 brokkelde de verzuiling snel af. Heden is nog ongeveer de helft van de Brabanders katholiek. Het kerkbezoek onder de Brabantse bevolking is in snel tempo verminderd. Zo zijn in het bisdom 's-Hertogenbosch, dat het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant bestrijkt, 1.178.000 katholieken (57,5 procent van de bevolking). Ieder weekend bezoeken gemiddeld 87.190 inwoners van dit gebied de H. Mis in een RK kerk, wat slechts 4,3 procent van de totale bevolking is.

01. Tachtigjarige oorlog (tekst)

Afkondiging in Antwerpen van de Vrede van Munster

1568-1648

In 1998 was het precies 350 jaar geleden dat de Vrede van Münster werd ondertekend. Duitsland vierde deze gebeurtenis toekomstgericht onder het motto "Vrede als een opdracht: 350 jaar tolerantie en godsdienstvrijheid". De Nederlandse herdenking stond in het teken van de politieke vrijheid: "350 jaar erkenning van de Nederlandse staat". In België werd de Vrede van Münster alleen in Baarle-Hertog herdacht.

Op zaterdag 3 oktober namelijk organiseerde onze vereniging de Landdag van het Verbond Voor Heemkunde. Wij belichtten de gevolgen van de Münsterse Vrede voor de toenmalige en de huidige bewoners van de grensstreek. De Vrede bracht onze voorouders geen tolerantie of vrijheid, maar godsdienstvervolging en politieke onmondigheid. Voor onszelf betekende de Vrede van Münster: "350 jaar scheiding der Nederlanden". Nergens werd die scheiding duidelijker ervaren dan in de enclavedorpen Baarle-Hertog en Baarle-Nassau: de rijksgrens liep er al 350 jaar kriskras doorheen.

De Vrede van Münster beëindigde één van de gruwelijkste periodes uit de geschiedenis van ons heem: de Tachtigarige Oorlog. De Nederlanden waren toen een onderdeel van het machtige Spaanse Rijk. Halverwege de 16de eeuw groeide bij onze voorzaten het ongenoegen naar aanleiding van het buitengewoon strenge optreden van koning Filips II tegen de hervormden, zijn pogingen tot vestiging van het absolutisme (alleenheerschappij) en de grote invloed van vreemdelingen op de regering. De Nederlanden wilden een zelfstandig bestuur. Vooral na het vertrek van Filips II naar Spanje in 1559 verergerde de toestand. Toen bleek dat de Nederlanden geheel vanuit Spanje zouden worden geregeerd.

In 1566 deed de lagere adel een poging om verandering te brengen in het regeringsstelsel. Vierhonderd edelen vroegen de opheffing van de inquisitie (vervolging van hervormden) en de verzachting van de plakkaten. Dit versterkte het Calvinisme: vluchtelingen keerden terug, predikanten ontwikkelden een grotere bedrijvigheid, hagepreken werden gehouden en in de zomer kwam het tot een felle uitbarsting van godsdienstig fanatisme en plunderzucht: de beeldenstorm bereikte op 23 augustus 1566 de stad Turnhout. Daar werden o.a. de St.-Pieterskerk, de Begijnhofkerk, de Theobalduskapel, de priorij Corsendonck en het Gasthuis geplunderd. Ook in Breda werden van 22 tot 24 augustus in de zopas voltooide kerk heiligenbeelden zwaar beschadigd of vernield: St.-Salvator en de twaalf apostelen, Onze-Lieve-Vrouw in de Zon, enz. Ook het Sacramentshuisje werd er verwoest.

Beeldenstorm

De gemoederen raakten verhit waardoor katholieken en hervormden mekaar gingen bestrijden. Een waar schrikbewind werd gevoerd en duizenden hervormden weken uit. Willem van Oranje vertrok reeds op 22 april 1567 uit Breda omdat Noircarmes met zijn Spaanse troepen een dag eerder Turnhout had ingenomen. Willem leidde het verzet vanuit zijn stamslot Dillenburg in Duitsland. In het voorjaar van 1568 drong zijn broer, Lodewijk van Nassau, met een leger Groningen binnen: de 80-jarige oorlog was begonnen. Filips II achtte een voorbeeldige bestraffing noodzakelijk en stuurde de strenge hertog van Alva naar de Nederlanden. De door hem opgerichte Raad van Beroerten velde talrijke doodvonnissen.

Om te weten wat de Vrede van Münster betekende voor de gewone burger, moeten we ons verplaatsen naar het jaar 1648. Het is tevens belangrijk om alle ellende te kennen die aan de vrede voorafging. Laten we daarom eens kijken wat zich tussen 1568 en 1648 afspeelde in de omgeving van Baarle, laat ons zeggen in het gebied tussen de steden Breda, Hoogstraten en Turnhout. .

1. De eerste oorlogsjaren: Alva in de Nederlanden (1567-1572)

De eerste oorlogsjaren verliepen in onze omgeving tamelijk rustig. Er werd niet gevochten. Breda, Turnhout en Hoogstraten waren alledrie in Spaanse handen. Toch heerste er heel wat ellende: soldaten maakten zich schuldig aan brandschatting en knevelarijen. Het dagelijkse leven was ontwricht. De boeren kregen het zwaar te verduren en de nijverheid lag zo goed als stil. In Hoogstraten bijvoorbeeld kwijnde de wolweverij weg: wevers stierven of weken uit naar veiliger oorden. Ook de handel ondervond hinder, wat zeer nadelig was vermits onze regio destijds een strategische positie innam tussen Vlaanderen en de Hanzesteden.

Hagenpreken buiten Antwerpen

In 1568 liet Jonker Jan van Treslong hageprekers toe op zijn hoeve aan de Beemden in Minderhout. Zij kwamen de pachters bekeren tot het nieuwe geloof. Van Treslong werd daarvoor in Brussel onthoofd. Reeds een jaar later brak in Turnhout de pest uit. De ziekte bleef er drie jaar lang de kop opsteken. In 1570 lag in het Huis metten Thoren (thans Taxandriamuseum) brandhout opgestapeld voor de doortrekkende legers van Noord en Zuid. Het huis zelf was vervallen. Al het lood was verwijderd voor het smelten van munitie. Het Minderhoutse kerkgoed werd in 1571 naar Antwerpen in veiligheid gebracht. De koffer werd pas in 1577 teruggehaald. De ontevredenheid over het bestuur van Alva nam toe omdat deze nieuwe belastingen wilde heffen: de honderdste penning (een éénmalige belasting van 1% op alle bezit), de twintigste penning (5% belasting op de verkoop van onroerende goederen) en de tiende penning (10% op de verkoop van roerende goederen).

Alva

2. De strijd om Holland en Zeeland (1572-1579)

In 1572 werd Den Briel veroverd op Alva. In Holland en Zeeland brak een volksopstand uit en de eerste vrije Statenvergadering kwam bijeen. De tocht van stadhouder Maurits door de Zuidelijke Nederlanden mislukte en Don Frederik, de zoon van Alva, ging via de Maas in de tegenaanval naar Gelderland en Holland. Op 25 juni 1572 werd Dordrecht veroverd door de geuzen. Don Frederik sloeg hard terug: Mechelen, Zutphen en Naarden werden op 2 oktober volledig uitgemoord. In 1573 werd Alva vervangen door Requesens, maar veel veranderde dat niet aan het gevoerde beleid. In 1574 werd Middelburg op de Spanjaarden veroverd. Leiden werd bijna een jaar lang tevergeefs door hen belegerd.

Rondzwervende benden speelden vanaf de val van Dordrecht baas in de baroniedorpen: schouten en ambtenaren sloegen op de vlucht. Vanuit Klundert en Fijnaart werd overal geplunderd. Jarenlang bleef het erg onveilig. In Minderhout was Hendrik van Bedaff, rector van het H. Sacramentsaltaar, op de vlucht wegens het gevaar. Hij keerde pas in 1575 terug.

Een jaar later werd Geert Jan Geerts van Hal in Minderhout "door die van Hollant" gevangen genomen. Hij kwam slechts vrij na het betalen van 500 gulden losgeld.

In 1576 stierf Requesens. De Spanjaarden namen Zierikzee in, maar hun troepen werden al maandenlang niet meer betaald en begonnen te muiten. Ze kozen hun eigen leiders, verlieten de bezette plaatsen in het Noorden en trokken naar de Zuidelijke Nederlanden, waar geweldig werd geplunderd. In Antwerpen eiste de Spaanse Furie maar liefst 10.000 doden. In 1577 werd het Eeuwig Edict afgesloten tussen de nieuwe landvoogd Don Juan van Oostenrijk en de Staten-Generaal: de Spaanse troepen zouden het land verlaten en de katholieke godsdienst zou opnieuw overal de heersende zijn. Holland en Zeeland verzetten zich echter. Don Juan veroverde het kasteel van Namen waarna katholieken en protestanten de Unie van Brussel sloten: de aanhangers van beide godsdiensten beloofden mekaar te beschermen.

Bij ons was er niet veel te merken van de gevoerde vredesonderhandelingen. Breda werd zwaar belegerd door soldaten van Hohenlohe. Op 4 oktober 1577 verlieten de gevreesde Duitse eenheden van het Spaanse leger de stad. Onmiddellijk na hun uittocht trok Hohenlohe Breda binnen en na tien jaar kwam de Baronie "tot grote blijdschap van de ganse borgerie" terug in handen van de eigen heer, Willem van Oranje.

In 1578 ging ook Amsterdam over naar Willem van Oranje. De groei van het Calvinisme werkte de verdeeldheid opnieuw in de hand. Don Juan versloeg het leger der Staten bij Gemblaux. Don Juan stierf en Alexander Farnese, de hertog van Parma, werd aangesteld tot zijn opvolger.

Schermutselingen op de Dam in Amsterdam

3. Van kwaad naar erger: Farnese in het offensief (1578-1585)

Het strijdtoneel in de Nederlanden verplaatste zich langzaam naar onze contreien. In 1577 ging in Hoogstraten de ommegang niet uit omwille van de vrees voor rondzwervende soldaten. Ook in 1578 en 1579 was er geen ommegang tijdens de kermis. Tot overmaat van ramp viel in de zomer van 1578 graaf Maximiliaan van Boussu, de heer van Turnhout, met een machtig leger de Vrijheid van Hoogstraten binnen. De soldaten werden in Hoogstraten en Minderhout ingekwartierd en de oogst van de boeren werd volledig vernield.

Artois en Henegouwen sloten in 1579 de unie van Atrecht. Zij verzoenden zich met Farnese. Tegelijk sloten de meeste Noordelijke gewesten en de grote steden in Brabant en Vlaanderen de Unie van Utrecht, een militair bondgenootschap. Farnese was aan de winnende hand. Steeds meer steden in het zuiden werden veroverd.

Turnhout kreeg soldaten van prins Willem van Oranje op bezoek, namelijk op 11 en 15 februari 1579. Ook Farnese trok door Turnhout. Hij was op weg naar Maastricht. Op 25 oktober viel in Hoogstraten een regiment Spanjaarden binnen, te weten het Tertio van Lombardije van het regiment van Baldens. Ze beroofden ook de inwoners van Minderhout van hun gewassen. Er bleef geen "goet, hoey oft stroey" meer over. Alle Minderhoutenaren werden uit hun dorp verdreven. Tien weken lang was iedereen op de vlucht. In Hoogstraten heerste er pest. Op het begijnhof werkte een schrobberes die er de pestzieken verzorgde. Bredase ruiters maakten zich van 1579 tot 1581 vaak schuldig aan het plunderen en brandschatten van de dorpelingen in en buiten de Baronie. Ze roofden koopwaar en levensmiddelen. In een tweetal ordonnanties nam Willem van Oranje begin 1580 openlijk stelling tegen deze kwalijke daden.

Groningen, Drente en Overijsel kozen in 1580 de Spaanse zijde. Filips II sprak datzelfde jaar de ban uit over Willem van Oranje. Hij beloofde diens moordenaar een grote beloning en een verheffing in de adelstand.

In 1581 werd de pastorij van Minderhout door de geuzen van het kasteel van Hoogstraten bijna geheel verwoest. Alleen de grote zaal en een gedeelte van het dak bleven overeind. Ook het bos werd "afgekapt en bedorven". De volgende jaren waren er eveneens veel verwoestingen. Het kasteel van Turnhout viel in handen van de Hugenootse kolonel De la Garde. Breda werd door de Spanjaarden heroverd in de nacht van 28 op 29 juni en verschrikkelijk geplunderd. Deze gebeurtenis ging de geschiedenis in als "de furie van Haultepenne" en eiste maar liefst 600 mensenlevens. Er waren slechts 400 overlevenden: het overgrote deel van de Bredase bevolking was op de vlucht. Filips II, koning van Spanje, schonk de getroffen stad vrijdom van Brabantse tol. Tevens riep hij Breda uit tot vrije stad.

Kasteel Bruheze te Baarle werd in de zomer van 1581 ingenomen door 40 misnoegde Spanjaarden, de zogenaamde Malcontenten. Ze lieten het kasteeltje door de opgeëiste inwoners van Baarle versterken. Van daaruit ondernamen ze akties tegen Breda. De gouverneur van Breda (Van Stakenbroek) bestookte het kasteel met twee kanonnen. Zonder succes overigens waarna De la Garde oprukte vanuit Breda en Bruheze belegerde met ruiterij, voetvolk en kornetten. Na een hevige beschieting volgde de overgave. Turnhout werd bezet door het leger van graaf Pieter van Boussu.

In 1582 werd Willem van Oranje in Antwerpen gewond bij een aanslag. Omstreeks datzelfde jaar brandde de St.-Salvatorkapel van Nijhoven af. Tot 1606 werden de diensten er "onder den blauwen hemel" gedaan. In de zomer van 1582 viel het Spaanse leger van De la Garde Hoogstraten binnen. De inwoners van Minderhout leden schade aan hun graangewassen en werden beroofd van hun meubels en beesten. Het leger bleef in Hoogstraten en Minderhout ingekwartierd tot het kasteel van Hoogstraten aan hen werd overgeleverd. Vanuit het kasteel werden vervolgens plundertochten georganiseerd. De plaatselijke bevolking behield pot noch lepel, zelfs geen stukje brood in haar schapraai. Paarden werden meegenomen en zelfs schoenen werden onder bedreiging afgestaan. Vele boerderijen en huizen werden afgebroken: er was brandhout nodig. Deze situatie duurde voort tot in 1583 het kasteel aan de Spanjaarden werd overgegeven. Farnese kwam in Turnhout tot een vergelijk met de dolende en uit Spaanse dienst gevluchte Duitse ruiters van paltsgraaf Johann Casimir.

Het leger van Willem van Oranje nam in 1583 opnieuw het kasteel van Hoogstraten over. Ook Minderhout werd daarbij volledig geplunderd. Slechts weinig goederen of beesten bleven gespaard. Alle huizen, schuren en stallen werden afgebroken door de soldaten en gebruikt als brandhout. In Wortel brandden 13 boerderijen af. Overal werden de gewassen vernield. Het Staatse leger rukte verder op naar Turnhout en Diest. Turnhout was belangrijk voor de Nassaus: het lag tussen Breda en Diest, twee Oranjesteden. In mei werd het kasteel van Turnhout belegerd door de Spaanse troepen van graaf Ernst van Mansfelt. Turnhout kreeg daarna een schutsbrief van Willem van Oranje.


Willem van Oranje

4. Toestand in de Kempen (eind 16de eeuw)

Essen: geen inwoners
Kalmthout: 6 gezinnen (voorheen: 750 misgangers)
Westmalle: 24 gezinnen (voorheen: 300 gezinnen) op het slot van de heer
Zandhoven: 40 inwoners
Halle: onbewoond sinds 1579, in 1587 16 inwoners verscholen in de kerk
Oostmalle: 25 gezinnen (voorheen: 350 misgangers)
Lille: 60 inwoners (voorheen: 700 misgangers)
Viersel: onbewoond
Massenhoven: 6 inwoners
Herenthout: 60 inwoners verscholen in de kerk, dorp platgebrand
Wechelderzande: 40 inwoners
Loenhout: geplunderd en platgebrand, bijna onbewoond
Broechem: platgebrand op 10 juni 1584
Duffel: platgebrand op 24 augustus 1584, veel bewoners doodgeslagen
Heist-op-den-Berg: kerk afgebrand in 1585 en veel inwoners vermoord
Wommelgem: platgebrand op 26 mei 1590
Poederlee: 8 gezinnen (voorheen: 200 misgangers)
Tielen: 32 gezinnen
Gierle: bijna onbewoond
Geel: 1350 misgangers (voorheen: 3000 misgangers)
's Gravenwezel: 91 misgangers (voorheen: 350 misgangers)
Herselt: 32 woningen (voorheen: 106 woningen)
Hoogstraten: 350 kerkgangers (voorheen: 1100 kerkgangers)
Lichtaart: 78 huizen (voorheen: 153 huizen)
Mol: 1175 kerkgangers (voorheen: 1700 kerkgangers)
Noorderwijk 75 misgangers (voorheen: 110 misgangers)
Rijkevorsel: 81 misgangers (voorheen: 404 misgangers)
Zoerle-Parwijs: 18 inwoners

In 1584 werd Willem van Oranje vermoord in Delft. Zijn zoon Maurits volgde hem op aan het hoofd van het leger. Farnese veroverde Brugge en Gent. Hij maakte zich op voor het beleg van Antwerpen.

Op 16 november kwam de heer van Balanson met een compagnie ruiters in Hoogstraten aan. Ze verbleven er enkele maanden, lang genoeg om in Hoogstraten en Minderhout iedereen van zijn granen te beroven. En dit ondanks de sauvegarde die men daar onlangs tegen betaling had bekomen. Alle inwoners van Hoogstraten en Minderhout sloegen op de vlucht en een jaar lang woonde er niemand meer. Velen kwamen om: van de 70 Minderhoutse huwelijksparen bleven er maar twee in leven. Bij de terugkeer van de overlevenden restten er nog één paard en vier of vijf koeien. Er heerste onnoemelijk veel armoede.

Antwerpen gaf zich in 1585 over aan Farnese. De val van Antwerpen bracht een vluchtelingenstroom op gang. Maar liefst 40.000 sinjoren verlieten hun stad noordwaarts. De Schelde werd door het Staatse leger afgesloten zodat de stad wegkwijnde.

In juni werd een nieuwe pastoor voor de parochie Minderhout benoemd. Wegens het oorlogsgeweld arriveerde hij pas drie jaar later. In Hoogstraten werd de plaatselijke ordonnantie tegen de pest uitgebreid: was er pest uitgebroken of dreigde er een pestepidemie?

5. Het Noorden op weg naar zelfstandigheid (1585-1609)

Alle dorpen leden onder het aanhoudende oorlogsgeweld. Zo woonden anno 1587 in Minderhout slechts vijf gezinshoofden, allen op het gehucht Hal. Minderhoutdorp, Ybbruggen, den Aert en Bergen Vyffhuysen waren verlaten. Maar liefst 61 "hoeven ende woonsteden metter stallingen, schueren ende andere huysinghen waren afgebroken en afgebrand". In het dorp stond alleen nog de kerk overeind. Die was volledig verwoest en geplunderd. De altaren waren stukgeslagen en afgebroken, de klokken gestolen. De kerk zat zonder inkomsten omdat de gronden en velden braak lagen. In Meerle waren ongeveer 50 boerderijen onbewoond en gedeeltelijk verwoest. De gronden waren niet bezaaid. De overgebleven Meerlenaren getuigden op 3 december: "'t dorp is cleyn van inwoonderen, die welcke inwoonderen oic van sobre conditien ende macht syn, mits den affsterven van de ingesetenen, die van miserien ende van den pesten gestorven sijn in grooten getale." In Meer woonden welgeteld 32 gezinshoofden. Wortel telde er nog 14. Dertien boerderijen waren daar afgebrand tijdens het beleg van het kasteel van Hoogstraten (1583). Daarnaast waren er nog eens 25 boerderijen onbewoond en onontgonnen. Tot overmaat van ramp viel tijdens de oogst graaf Karel van Mansvelt met zijn Spaanse leger Hoogstraten binnen. Op elf dagen tijd verdween de gehele oogst in Minderhout.

Graaf Karel van Mansfeld

In 1588 bezette Commissaris Georgio Basta Hoogstraten met een Spaanse compagnie ruiters en een regiment Duitse knechten. De inwoners van Minderhout sloegen vijf maanden op de vlucht en verbleven in andere dorpen. Alle goederen en beesten werden geroofd. Ruiters en knechten moesten worden voorzien zich van het nodige verteer. Geert Jan Geerts van Minderhout verklaarde dat hem gedurende de oorlog reeds 18 paarden en 24 melkgevende koeien waren ontstolen. Zijn boerderij op Hal werd door de geuzen tot in de grond afgebrand.

In 1589 maakte Filips II een tactische fout: hij liet Farnese zijn werk niet afmaken, maar mengde zich in Britse en Franse aangelegenheden waardoor zijn positie in de Nederlanden verzwakte: Farnese moest elders gaan vechten. Spanje verzwakte financieel. De Staten-Generaal zorgde intussen voor een goede verstandhouding met Frankrijk en Engeland.

Begin maart 1590 veroverde kapitein Charles de Héraugière de stad Breda door middel van een list: hij smokkelde een aantal van zijn manschappen het kasteel binnen. Die zaten verborgen in het ruim van een turfschip. Deze inname betekende voor stadhouder Maurits het begin van een schitterende reeks successen. Breda zou Staats blijven tot 1625. In Turnhout kampeerde omstreeks september 1590 het leger van graaf van Mansfelt. Hij werd uit het kasteel verdreven door geuzen uit Breda.

Maurits veroverde in 1591 Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen. De Thornse goederen in de Baronie van Breda werden datzelfde jaar door de Raad van State belast met de vijfde penning, later zelfs met de dubbele vijfde penning. Protesten van de abdij brachten in 1609 Maurits ertoe de dorpsbesturen in de Baronie van Breda de opdracht te geven voortaan van die dubbele belasting af te zien.

In 1592 veroverde Maurits Steenwijk en Koevorden. De Spaanse aanvoerder Farnese overleed en zijn opvolgers kregen de volgende jaren te kampen met geldgebrek en muiterij.

De burgerij van de Baronie van Breda had eveneens alle reden tot klagen omwille van de belemmering van het handelsverkeer. Door hun strooptochten maakten de Spanjaarden dit bijna geheel onmogelijk. In de zomer van 1592 kwamen nog geen honderd wagens de stad binnen, terwijl dat aantal in normale omstandigheden 700 à 800 bedroeg. Ook het verkeer te water was door het optreden van zogenaamde stroomrovers erg onveilig geworden. Half mei hield graaf van Mansfelt in Turnhout een troepenschouw over meer dan 8.000 Spaanse manschappen. Eind juni overvielen Staatse troepen o.l.v. Marcelis Backx in de straten van Turnhout het leger van de markies van Varabon.

In 1593 nam Maurits Geertruidenberg in. En op 2 april van datzelfde jaar veroverden geuzen uit het garnizoen van Breda door middel van de list met de "soetelaar" het kasteel van Turnhout. Een soetelaar was een handelaar die met zijn kar bier leverde. Hij liet zijn paard stoppen op de ophaalbrug en duwde een schildwacht in het water. Dit was het afgesproken sein voor de soldaten die zich verborgen hadden in een nabijgelegen, afgebrande woning. Zij namen probleemloos het kasteel in. Vier maanden later echter werden ze daar weggejaagd door Mondragon.

Groningen werd in 1594 ingenomen door Maurits. De pastoor van Alphen, Mattheus Antonii Gorissen van Iersel, moest vluchten voor het krijgsvolk en zat zes weken gevangen in het kasteel van Turnhout. Batterijen van prins Maurits bestookten tevergeefs met meer dan 100 kanonschoten datzelfde kasteel. In Minderhout werd de afgebrandde Kapel van den Akker hersteld. De kerk was nog niet heropgebouwd. Het zou tot 1604 duren vooraleer ze weer onder dak stond. De missen vonden voorlopig plaats in de begijnhofkerk van Hoogstraten. In 1595 werd het dorp opnieuw volledig verwoest. Er woonden nog 2 gezinnen.

In 1596 sloten de Staten een verbond met Frankrijk en Engeland. Het jaar daarop trok het zuidelijke leger 4000 man voetvolk en 500 ruiters samen te Turnhout. De troepen stonden o.l.v. graaf Varax. De Staatsen bemerkten het gevaar: zij vreesden voor een aanval op Breda of Bergen-op-Zoom. Op 22 januari 1597 arriveerde Maurits in Geertruidenberg met 5000 man infanterie, 1000 ruiters, 150 schepen, 80 wagens met ammunitie en voedsel, twee halve kartouwen en twee veldstukken met een bespanning van 100 paarden. Op 23 januari kwam een deel van dit leger aan in Ravels. Op 24 januari verliet het leger van Varax Turnhout en trok zich terug richting Herentals. Het vluchtende leger werd achtervolgd en verslagen door de Staatsen. Varax stierf tesamen met honderden soldaten, mogelijk zelfs 2000. 's Namiddags veroverde Maurits het kasteel van Turnhout. De Noordelijke vleugel brandde volledig af. Het kasteel werd vervolgens door beide partijen neutraal verklaard: de benedenvensters en de poort werden toegemetseld, de ophaalbrug werd afgebroken. Het gebouw verkommerde en verviel tot een ruïne. Het lag in puin tot na 1649.

De afgebroken en afgebrandde Minderhoutse huizen en erven lagen meestendeels nog steeds in vogelwei en onbebouwd. Er woonden ongeveer veertig families. De pastoor moest om veiligheidsredenen vaak uitwijken naar Breda. Minderhout behoorde toen bij het dekanaat Breda.

In 1598 bevrijdde Maurits de Achterhoek en Twente. Frankrijk en Spanje sloten vrede.

Filips II huwde zijn dochter Isabella uit aan Albrecht van Oostenrijk en schonk hen de Nederlanden als bruidschat. Bij kinderloos overlijden echter zouden de gewesten aan Spanje terugvallen. Kort na het huwelijk van zijn dochter overleed de Spaanse koning. Het Spaanse leger betaalde zijn soldaten slecht en op twee jaar tijd braken er twintig opstanden uit

Een brand teisterde de Vrijheid van Hoogstraten. Vier vijfde van de huizen werd in de as gelegd. Slechts zeventig huizen stonden nog overeind, maar de meeste hiervan waren onbewoonbaar.

Maurits, prins van Oranje

Maurits veroverde in 1600 Nieuwpoort. Spinola veroverde daarna Oostende. Maurits nam in 1601 Sluis in waarna Spinola Grol in de Achterhoek en Oldenzaal in Twente bezette.

Maar liefst 800 Italiaanse soldaten van het Spaanse leger begonnen te muiten in 1602. Twee jaar lang bezetten zij het kasteel van Hoogstraten en riepen er de Unie van Hoogstraten uit. Hun plundertochten voerden hen naar Antwerpen, Namen en Aken. Ze logeerden zowel op het kasteel als in de Vrijheid. Elk huis herbergde zo'n 50 à 100 soldaten.

In 1603 stierven te Hoogstraten 103 mensen aan de pest: 50 volwassenen, 23 kinderen, 24 soldaten en 6 soldatenkinderen. Het kerkhof lag er vol nieuwe graven zodat die zomer geen gras werd verkocht. Maurits viel met zijn leger Hoogstraten binnen en dreef graaf Frederik van den Bergh met het leger van de Spaanse koning op de vlucht. Hoogstraten werd "verminkt" door het Staatse krijgsvolk. Het kasteel werd belegerd en ontzet. Daardoor werden in Minderhout vruchten en granen geplunderd: het dorp werd volledig geruïneerd. Ook de pastorij met de schuur werden vernield en de pastoor kon zijn belastingen niet meer betalen. Hij vroeg aan de Staten der Verenigde Nederlanden om kwijtschelding voor de jaren 1603 en 1604. Op 26 juli 1603 trok het Spaanse leger van de Hertog van Brabant van Westmalle naar Hoogstraten. Het bestond uit 8 à 9.000 paarden en ontelbaar voetvolk. Huizen en veldvruchten werden vernield. Bijna de gehele stad brandde opnieuw af. Maurits werd verjaagd. Het krioelde van de wolven in de regio en er heerste hongersnood.

In 1604 sloot Engeland vrede met Spanje. Datzelfde jaar werd de kerk van Meerle geheel verwoest. De pest dook op in Turnhout en de gevreesde ziekte zou er twee jaar woeden. In 1606 heerste de pest in Ulicoten. De Salvatorkapel van Nijhoven was gedeeltelijk herbouwd. Er konden terug missen in het gebouw worden gelezen.

De Nederlandse overwinning op de Spaanse vloot bij Gibraltar dateerde van 1607. Zowel Noord als Zuid verlangden intussen naar de vrede: de oorlogskosten liepen hoog op en vooral de Zuidelijke Nederlanden verkeerden in een ellendige toestand. Minderhout telde in 1608 zo'n 220 communicanten (parochianen boven de 12 jaar). De kerk stond er vervallen bij: ze stond weliswaar onder dak, maar de muren waren geschoord. De missen werden nog altijd in de begijnhofkerk van Hoogstraten opgedragen. De abt van de St.Michielsabdij betaalde 200 gulden tot herstel van de kerk.

Onderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand

6. De wederopbouw gedurende het twaalfjarig bestand (1609-1621)

Als een voorbereiding op de vrede werd in 1609 een twaalfjarig bestand gesloten tussen de Staten-Generaal en aartshertog Albrecht, eerder tegen de zin van stadhouder Maurits, de militaire leider van de Verenigde Nederlanden. De Republiek voelde zich reeds volkomen onafhankelijk en Maurits vreesde dat Spanje zich zou versterken om na het bestand des te krachtiger aan te vallen. Besloten werd dat iedere partij zou behouden wat hij op dat moment bezat.

De handel herleefde en de wolweverij bloeide opnieuw. De stad Hoogstraten lokte weversgezinnen: vier jaar lang moesten de wevers geen personele belasting betalen. Het bestand was ook gunstig voor de plattelandsbevolking. In Minderhout werd de Kapel van den Akker heropgebouwd na brand en vernieling. En na 20 jaren van herstel werd de parochiekerk herwijd op 1 oktober 1610. Ook de pastoor van Baarle, Isaäc van de Oudewater, was bij de plechtigheid aanwezig. In 1611 mislukte de oogst "door de rijm en de kwade luchten". Volgens de kroniek van Turnhout bevroren op 10 mei alle graangewassen. Het kasteel van Hoogstraten werd voor de rest van het bestand tot neutraal gebied verklaard. In 1613 werd de kapel van Ulicoten hersteld.

Interne geschillen tussen Holland en de andere gewesten, met name tussen Oldenbarnevelt (de voorzitter van de Staten-Generaal) en Maurits (de militaire leider), en ook tussen remonstranten (gematigden) en contra-remonstranten (strenge Calvinisten), leidden vanaf 1614 tot hevige spanningen in de Republiek. Oldenbarnevelt en zijn voornaamste medestanders, o.a. Hugo de Groot, werden in 1618 gevangen genomen. Oldenbarnevelt werd in 1619 terechtgesteld, Hugo de Groot tot levenslange opsluiting veroordeeld. De Synode van Dordrecht (eveneens 1619) versterkte de eenheid binnen de Gereformeerde Kerk. De zogenaamde remonstranten werden vervolgd.

In Duitsland begon de 30-jarige oorlog, een verwoestende krijg die er veel ellende bracht. De strijd begon in Bohemen. Weldra zouden opnieuw de Nederlanden bij de strijd worden betrokken en volgden nog meer beroerde tijden voor de inwoners van Baarle en omgeving.

7. De hervatting van de oorlog (1621-1624)

Het twaalfjarig bestand liep af op 9 april 1621. Omwille van "den uitgang van de trève" (het aflopen van het bestand) was er op Paasdag en Beloken Pasen geen mis in Minderhout. Slechts de derde zondag konden de parochianen hun Pasen vieren. De mensen herinnerden zich maar al te goed welke rampspoed hen had getroffen in het eerste deel van de oorlog (zie Van Wirskaante jg.12, nr.4). Ze vreesden de toekomst: sloten en grendels op de deuren werden overal vervangen. Hoogstraten prijsde zich nog gelukkig: de neutraliteit van het kasteel werd op 23 maart verlengd door de bestuurders in Den Haag en Brussel. De stad bekwam toen ook een sauvegarde of schutsbrief van prins Maurits. Op 18 mei 1621 echter werd al duidelijk dat die bescherming weinig voorstelde: een kar met twee paarden werd aangeslagen door het leger van de prins en meegenomen naar de Demer. De gevechten in onze contreien braken pas echt los vanaf 13 augustus 1621, een maand na het overlijden van aartshertog Albrecht.

Steeds waren er soldaten in de buurt en de dreiging die van hen uitging, drukte zwaar op de bevolking. Zo werden op 2 november 1621 niet minder dan 88 ossen van koopman Willem Stappers uit 's Hertogenbosch aangeslagen tussen Alphen en Baarle. Soldaten uit het garnizoen van Wouw voerden de dieren naar Geertruidenberg. Stappers slaagde erin de ossen terug in zijn bezit te krijgen. Op 15 november arriveerde hij ermee in Hoogstraten. Hij was op weg naar de markt in Lier.

In Minderhout was er met Pinksteren van het jaar 1622 geen mis "duer beleth van den legher van den Staten van Hollant, die naar het Haghenlant trok". Op tweede Pinksterdag was het leger vertrokken. Op de derde zondag na Bamis was er geen mis omwille van de schrik voor het Spaanse leger dat in Brecht lag. Deze soldaten onder leiding van de graaf van Anholt lagen eerst voor Bergen-op-Zoom. Zij legden o.a. in Hoogstraten beslag op de gehele oogst.

Op 29 juli 1623 passeerde in Hoogstraten een sergeant met soldaten uit het garnizoen van Tholen. Op 12 oktober werd de Brusselse deurwaarder Guilliam de Moor voor een spion aangezien en door soldaten van het garnizoen van Geertruidenberg meegevoerd.

Begin maart 1624 kwamen ruiters uit de garnizoenen van Bergen-op-Zoom en Steenbergen langs. En op 15 juni reden rondzwervende ruiters van het garnizoen van Nijmegen in de richting van Antwerpen.


Maurits en Frederik Hendrik, prinsen van Oranje

8. Het Beleg van Breda (1624-1625)

Van augustus 1624 tot mei 1625 lag de streek ten noorden van Baarle vol soldaten: de Spaanse veldheer markies Ambrosius Spinola viel op 28 augustus onverwacht Ginneken binnen en sloeg er zijn hoofdkwartier op. In 17 dagen tijd was Breda omsingeld. Aan het hoofd van zijn troepen stonden o.a. de graven Jan van Nassau en Hendrik van den Bergh. Laatstgenoemde bracht zijn zoon Herman mee om de stiel te leren. Drie weken lang bracht prins Maurits met zijn leger in Made door. Daarna week hij uit naar Roosendaal. Eind 1624 vertrok hij naar Den Haag.

Het Spaanse leger trok eind augustus 1624 door Baarle en Gilze naar Ginneken. De Baarlenaren betaalden vijf dagen lang voor een sauvegarde: wellicht verbleven de Spanjaarden zo lang in ons dorp. Eén der grootste veldheren uit de Tachtigjarige Oorlog, markies Ambrosius Spinola, logeerde op het Goor. Twee tonnen van het beste bier werden hem geleverd door Dirick Meeussen en Dirick Hermans. Spinola bleef er maar één nacht en Lenart Sprangers moest toen "geheel den avont watr voeren opt goor". Neeltken Claes werd bij de doortocht van het leger beroofd van een aarden pot die zij als kuip aan de weg zette "te doene vande dorstige ruyteren ende soldaten".

Een jaar lang passeerden in Baarle konvooien met plunderende, hongerige en dorstige soldaten. Er waren inkwartieringen en dreigend onheil werd in de mate van het mogelijke afgekocht. Alle onkosten werden gezamenlijk door de Baarlenaren gedragen. Iedereen noteerde zijn eigen onkosten en steeds weer moest de dorpskas door het heffen van nieuwe belastingen worden bijgevuld om die extra uitgaven te dekken.

Vooreerst waren er de zogenaamde schutsbrieven of sauvegardes: elk gehucht (Oordeel, Bedaf, Ulicoten, Castelré, Nijhoven,...) betaalde graaf Van den Bergh dagelijks 25 stuivers, althans wanneer hij met zijn ruiters in Baarle lag. In ruil daarvoor bleef het dorp van plunderingen gespaard. Naast dit zogenaamde daggeld kregen de soldaten gratis verteer aangeboden, meestal brood, boter en bier. Allerlei andere voedingswaren verdwenen eveneens in de hongerige soldatenmagen: ham, spek, eieren, kippen, gerst, boekweit, wijn en noten. Voor de paarden was er haver, hooi en stro. Vaak ging het om erg grote bedragen. De Ulicotense rekening liep binnen het half jaar op tot bijna 350 gulden. Peeter Jesper Cruysarts had op zijn beurt op 1 december 1625 ongeveer 210 gulden tegoed van de gemeente. De erfgenamen van Henrick Geeraertsen eisten voor de periode 1620-1629 welgeteld 213 gulden en 17 stuivers.

Daarnaast waren er onvoorstelbaar veel geschenken voor de officiers. Vooral de legerleiding immers moest men voor zich weten te winnen. De pastoor, de stadhouders en de secretarissen reden met paard en kar naar het leger in Ginneken: zij vervoerden haver, hout, heischabben, vette varkens, schapen, hazen en een duizendtal vinken. Don Loys de Benelides ontving zes lopen haver voor zijn paarden. De markies kreeg 19 karpers en meerdere vaten van het beste bier aangeboden. Graaf Van den Bergh ontving zalm en wijn.

Verder waren er vooral onkosten van gederfd loon. Een wagen van een kapitein moest worden hersteld, de Caembrugge werd gerepareerd, enzovoort. Tientallen inwoners hadden werkverlet omwille van gemaakte reizen ten dienste van de gemeenschap: naar Chaam, Alphen, Gilze, Ginneken, Rijen, Riel, Holland, Poppel, Weelde, Turnhout, Tielen, Hoogstraten, Lier en Meerle. Zij vervoerden brieven of goederen. Vaak ook werden ze op weg gestuurd om te informeren naar de eventuele komst van soldaten.

Op 2 september 1624 vaardigden de Staten van Holland een plakkaat uit dat ons omtrent 11 september bereikte: het werd voortaan verboden etenswaren, munitie en krijgsgereedschap te leveren aan het leger van de koning van Spanje. Dat was een streep door de rekening van Spinola: die moest zijn bevoorrading zoeken ver in het binnenland. Hij richtte daarvoor een magazijn op in Lier en drie grote schansen tussen Lier, Herentals en Turnhout. Graaf Van den Bergh waakte met zijn ruiters over de veiligheid van de konvooien. De Baarlenaren vreesden hun komst: konvooien werden gevolgd door plunderende soldaten en soldatenvrouwen die voedingswaren en allerlei huisraad (zoals aarden schotels en potten, stopen, glazen, pannen en boterpotten) roofden. Er werd geen vaste route gevolgd. Voorraadkonvooien kwamen ofwel rechtstreeks van Turnhout, ofwel via Poppel en Bedaf. Tweemaal lagen ze op Nijhoven, een keer in Zondereigen, enzovoort. Steeds werden ze tegemoed gereden met geschenken of om te onderhandelen over een sauvegarde. Jan Snellen soon waakte twee nachten op het kerkhof naar aanleiding van de komst van zo'n konvooi.

Konvooien werden eveneens opgewacht door Spaanse soldaten. Bij Dirick Meeussen dronken elf compagnies twee tonnen bier op twee à drie dagen tijd. Daarna namen ze de begeleiding van graaf Van den Bergh over, die met zijn ruiters op 't Goor achterbleef in afwachting van de terugkeer van het konvooi. Ook in Baarle lagen er schansen ter bescherming van de konvooien: "de Kerckschans op 't Kerckhoft, 't Salvatoirs fort op Nijhoven" en schansen op Bedaf, Bosschoven, Eikelenbos en Ulicoten. Mogelijk was er ook één in Castelré. Het toponiem "Schrans" doet dit namelijk vermoeden. De belangrijkste Baarlese schans echter was gelegen op het Goordonk. Vanaf het Goor controleerden de ruiters van Hendrik Van den Bergh de verre omgeving.

Op 25 september werd het krijgsvolk in Baarle door hun officier uitdrukkelijk verboden brouwers te molesteren. Soms ging het er echt ruw aan toe! Eind september werden de Baarlenaren pas echt bang. Ook in Hoogstraten brak paniek uit: alle waardevolle voorwerpen werden naar Antwerpen gebracht. Hoogstraten betaalde nochtans belastingen aan beide strijdende partijen. Een wachter op de kerktoren luidde er de stormklok telkens een groep ruiters naderde. De poorters vluchtten dan met hun vee, meubelen en andere goederen in de kerk of de schans. Per kist in de kerk moest drie gulden stadsbelasting worden betaald. De stormklok hield op met luiden als de ruiters in de Vrijheid waren aangekomen. In Baarle werd op dezelfde manier gewaakt: Gerart Schriken en Jacob Cornelis van Olmen soon hielden dertien dagen en nachten de wacht. De torenwachters van Baarle verdienden 10 gulden voor bewezen diensten. Later was Geerarden Crabijns vier en een halve dag torenwachter in Baarle.

De paniek in Hoogstraten en Baarle was begrijpbaar: op 3 november 1624 vielen 1.500 ruiters behorend tot het Spaanse leger van de graven De Sarasar en Van den Bergh Castelré binnen. Ze rukten op naar Breda om er deel te nemen aan de belegering. Twee hoeven brandden af: bij Jan Adriaen Ancems bedroeg de schade 600 gulden en bij Marten Anthonis Straetmans 1.300 gulden. Huybrecht Adriaen Huybrechts schonk "negen coppelen kikenen aen compte de Sarasar".

1625 is het ellendigste jaar uit onze geschiedenis. Bijna dagelijks stonden er soldaten, soldatenvrouwen, boden van gouverneurs en zelfs hogere officieren aan de deur om "gedefroyeert" of vrijgehouden te worden: ze eisten eten of drinken, logies of vervoer zonder daarvoor te betalen. Geld of geschenken werden door de dorpsbesturen uitgedeeld om van verdere onkosten gespaard te blijven. De bestuurlijke diensten waren ontregeld. De Minderhoutse kerkmeester had geen manuaal "omwille van de kwade troebelen tijd van het leger". In de kerk van Hoogstraten stonden 12 koffers met kleergoed uit Minderhout en 8 uit Castelré.

Graaf Hendrik van den Bergh

Op 4 januari 1625 reisde Hendrik van den Bergh van Wuustwezel naar Baarle. Hij werd begeleid door 24 dienaren, zijn zoon en voetvolk onder leiding van kapitein Martijn. De compagnie zorgde voor de bagage van de graaf. Ten zuiden van Breda vertoefden ook geuzen. In Hoogstraten kwam het die dag tot een treffen met een knecht van de kapitein. De knecht werd daarbij in de schouder geschoten. En op 11 februari kwam Peer de keteleer, met veertien man van de Neerzijde (Nederland) in Hoogstraten. Ook op 15 februari vertoefden er drie geuzen.

Op 5 januari werd de heer van Berlecom, een neef van Hendrik Van den Bergh, met een gebroken been van Hoogstraten naar Baarle gevoerd. Op 16 januari trokken troepen van de graaf opnieuw van Wuustwezel naar Baarle. De graaf zelf, zijn zoon Herman, kapitein Martijn, vier ruiters van markies Spinola, pagen, lakeien en dienaars verteerden in Hoogstraten. Ze dronken Spaanse wijn en aten wit brood. Op 17 januari verbleef de graaf op het fort in Baarle, vanwaar hij vertrok richting Meersel. Diezelfde dag werden vermoeide soldaten met een kar van Hoogstraten naar Baarle gebracht. Ook op 29 januari werd krijgsvolk per kar van Hoogstraten naar Baarle vervoerd. Op 4 en 5 februari vertoefde Van den Bergh opnieuw in Baarle. Daarna was hij in Herentals tot half februari. Op 14 februari trok een konvooi door Meerle naar Baarle. De trommel die het tempo aangaf, werd gehoord tot in Hoogstraten.

Rond 16 februari legden de bewoners van Breda een dam aan in de Mark om de hele streek onder water te zetten. De dam brak door waardoor het opzet mislukte. Op 24 februari verbleef Zijne Excellentie Van den Bergh op het fort van Baarle. Vanuit Hoogstraten werden hem bezorgd: een kabeljauw van 35 stuivers, 100 oesters van 50 stuivers en wit brood ter waarde van 56 stuivers. In het "mandeken" bevonden zich ook een partij oesters voor de heren Francquijn en Wyngaerden. Er lag toen een dik pak sneeuw. Op 1 maart 1625 werden in Hoogstraten twee bevroren soldaten aangebracht. Op 10 maart lag de sneeuw er nog. Op 15 maart was het aan het dooien en stonden de wegen onder water. Die dag vielen 17 soldaten uit Baarle Hoogstraten binnen en verteerden er voor 187 stuivers, uiteraard zonder ervoor te betalen. In Baarle werd het paard van Peeter Adriaen Swanen aangeslagen "ten diensten van den Marquis int legr voor Breda, voerende de wijn die alhier door den grooten sneeu was blijven staen".

Breda werd geteisterd door hongersnood. Turnhout herbergde een compagnie onder leiding van kapitein Diercx en op 19 maart lagen er Kroaten in Zandhoven. Ze trokken via Wechelderzande naar Vlimmeren en zouden op weg zijn naar Beek. Die nacht was er opnieuw paniek in heel de omgeving: Kroaten werden gevreesd voor hun oorlogsmisdaden. Op 20 maart werd in Hoogstraten poeder uitgedeeld aan de plaatselijke schutters. Uit het garnizoen van Baarle kwamen 27 soldaten ter hulp. Op 21 maart werd voor het stadhuis een afsluiting getimmerd in paalwerk. Tevens werden graszoden gestoken voor op de toren en het kerkhof. Op 22 maart verbleef graaf Van den Bergh in Baarle en kampeerden zijn manschappen met de beruchte Kroaten in Zondereigen en Wortel.

Met het lenteweer nam het bezoek van militairen toe: oorlogsvoering was seizoensgebonden. Soldaten werden aangeworven in de lente en weer afgedankt tegen de winter. Op 26 maart 1625 werden brouwketels naar het kasteel van Hoogstraten gebracht om ermee in de behoefte van de ingelegerde soldaten te voorzien. Vanaf 1 mei werden dagelijks twee vaten naar de Vrijheid gebracht in opdracht van graaf Van den Bergh, gouverneur en luitenant-generaal van de ruiterij. Arbeiders moesten heide maaien voor de paarden. Op 1 april kwam markies Spinola op inspectie bij Van den Bergh. In Hoogstraten heerste een ziekte onder de legerpaarden. Op 3 april lagen er 's morgens veel dood op straat (ook op 3 en 27 mei, 4 en 19 juni). Op 16 april werd in Hoogstraten de moordenaar van een soldaat opgehangen. Verscheidene mensen werden in de buurt overvallen en "uitgeschud". Ook in mei waren de wegen nog onveilig.

Ruiters van de Baarlese schans legden beslag op een wagen en gingen ermee fourageren in de richting van Alphen. Adriaan Cornelius van der Voort moest hen 50 stuivers geven om zijn huis en schuur te redden. Zieke soldaten werden van het front aangevoerd en zo snel mogelijk weer weggebracht: de verzorging van een zieke soldaat kostte de gemeenschap veel geld. Jan Matijs Janssen gaf tien stuivers "aen eenen soldaet sieck sijnde ten eynde hij soude vertrecken". En Stoffel Schooten voerde drie zieke soldaten meteen naar Weelde. Torenwachter Geerarden Crabijns daarentegen zag zich verplicht twaalf dagen te waken bij een gekwetste ruiter.

In Den Haag stierf prins Maurits op 23 april 1625. Hij werd opgevolgd door Frederik Hendrik, die op 4 april was gehuwd met Amalia van Solms. Breda geraakte steeds meer zonder munitie en voedsel. Op 24 mei werden paarden naar Lier en Herentals overgebracht: ze waren niet meer nodig aan het front. Breda zou weldra van uitputting door de knieën gaan. Hendrik Van den Bergh zond twee karren naar Antwerpen voor proviand en wijn: eens de overgave van Breda een feit zou zijn, moest er duchtig worden gevierd. Drie soldaten werden naar Brussel gezonden om te melden dat de overgave van Breda nakend was. In het leger heerste een opgewekte stemming. Op 27 mei werd bericht dat prins Frederik Hendrik, die Breda ter hulp was gekomen en bij Dongen zijn kamp had opgesteld, zich terugtrok naar Loon-op-Zand. Hij had vruchteloos gepoogd de stad te ontzetten. De situatie in Breda was echt hopeloos: de rantsoenen brood en meel waren bijna uitgeput. Veel inwoners stierven van de honger en de pest.

Overgave van Breda

Op 29 mei mochten Spinola en Van den Bergh met de bestuurders van Breda onderhandelen over de overgave van de stad. Na negen maanden belegering werden op 2 juni de vredesvoorwaarden aanvaard en een verdrag ondertekend. Op 5 juni 1625 trokken de troepen van de koning van Spanje Breda binnen. Op het schilderij "Las Lanzas" van Velasquez pronkt de ruiterij van graaf Van den Bergh met haar lange lanzen. In de Republiek was iedereen diep onder de indruk van het verlies van Breda. De stad zou tot 1637 in handen van de Spaanse koning blijven.

Baarle bemachtigde meteen een sauvegarde van de commandant van Breda: Claude de Rije, baron van Balançon. Op 6 juni werd aartshertogin Isabella plechtig onthaald op het stadhuis van Breda. Zij passeerde niet langs Hoogstraten. Kwam zij via Baarle of langs Zundert? Eveneens op 6 juni begonnen de troepen zich uit Baarle terug te trekken. Op 7 juli reisde aartshertogin Isabella met een aanzienlijk leger van Breda naar Brussel. In Hoogstraten werd voor die gelegenheid tinnen eetgerief aangevoerd. De totale uitgaven voor de stad Hoogstraten beliepen voor het jaar 1625 meer dan 4368 gulden. Het logies van Hendrik Van den Bergh alleen al kostte 268 gulden en 12 stuivers aan bedden, lijnwaad, tafels en stoelen. Ook de graaf van Ritberch, de graaf van Emden en graaf Jan van Nassau logeerden een nacht in Hoogstraten.

9. Besmettelijke ziekten na het Beleg van Breda (1625-1626)

In mei en juni stierven een aantal mensen aan "de ziekte van Mansfeld". Graaf Van Mansfeld was met een aanzienlijk leger de Staten van Nederland ter hulp gesneld en zijn leger bestond uit "Engels gepeupel". Het waren brutale kerels, die de kiemen van vreselijke kwalen in zich droegen. Waar ze logeerden, werden mensen aangetast. Ongeveer de helft van de zieken kwamen om het leven. Ook in Baarle en omgeving passeerden al maandenlang Mansfelders.  

Graaf Ernst van Mansfeld

In Hoogstraten stierven vanaf 15 juli dagelijks mensen aan de pest. Elke dag passeerden er zieke soldaten. Ook veel paarden kwamen om het leven. Meester chirurgijn Adriaen en de andere dokters verlieten de stad en vluchtten met de schout, de drossaard en enkele schepenen naar Antwerpen. Drie schepenen stierven en de vorster (veldwachter) was al sedert 17 april overleden en niet vervangen. Pastoor Jan Verpoorten reisde kort na 20 juli naar Mechelen waar hij stierf aan de pest. Zijn opvolger Antonius van Mol hield het na twee weken voor bekeken. Op 13 september kwam er een nieuwe pastoor, Jan van Issem. Op 7 oktober werd ook hij aangetast. Twee dagen lang leed hij aan neusbloedingen waarna hij overleed. Zonder burgerlijk en geestelijk gezag was de situatie onhoudbaar in Hoogstraten.

Borgemeester Marten van Geel riep de hulp in van vrouw Aertssen, een pestmeesteres uit Zundert. Op een maand tijd waren er toen al 97 pestdoden begraven (normaal 20 doden per jaar). Vanaf 19 augustus zou de pestmeesteres om de andere dag naar Hoogstraten komen om de zieken te verzorgen. De Minderhoutse vorster Lenaert en Peeter Hansen hielpen haar daarbij. Ze verkocht elke patiënt drankjes voor een bedrag van 50 stuivers. Uit die tijd is een Hoogstratens recept tegen de pest bewaard gebleven: "Men neme voor 2 stuiver olie van anijs, jeneverbessen en zoete amandelen. Meng met wijn of brandewijn en ga dan zitten voor een heet vuur, gestookt met eikenhout, totdat het zweet uitbreekt en kruip dan onmiddellijk in bed." Hete wijn werd wel vaker voorgeschreven tegen de pest. De landdeken E.H. Ivo Van den Heuvel, wonend op het Turnhouts begijnhof, schreef gebeden tegen de pest. Op 22 september kwam vrouw Aertssen afrekenen. Er werd haar 45 gulden betaald voor bewezen diensten. Bij haar vertrek was de pest nog niet helemaal verdwenen. Er waren op dat moment 111 doden begraven.

In Minderhout stierven in 1625 ongeveer 95 parochianen, waarvan 83 aan de pest (gemiddeld overleden daar jaarlijks 6 inwoners). Verder stierven aan de pest ook een edelman uit het leger, een soldaat en een soldatenvrouw. De pest brak uit op 19 juli. Geen dokter of geneesmiddel vermocht er iets tegen. Iedereen, uren in 't ronde, was in paniek. Niet zonder reden, want ook Wortel, Meerle, Ulicoten, Baarle en Turnhout werden door de pest getroffen. Twee derde van de landerijen bleef onbebouwd, renten konden niet meer worden betaald en armoede heerste overal. In Turnhout was het bestuur de stad ontvlucht en vergaderde tijdelijk in Vosselaar.

In Baarle vielen er in de tweede helft van1625 maar liefst 91 doden te betreuren. Ook pastoor Cornelius de Graeve werd besmet bij het bezoek aan een pestlijder en stierf aan de gevolgen van de "haestighe sieckte". De eerste maanden van 1626 stierven nog veel mensen: 151, waarvan 54 in januari en februari. Op 14 augustus 1625 stierf in Castelré Jan Janssens aan de pokken. Zijn vrouw overleed aan dezelfde ziekte op 17 september. Op 17 augustus brak ook in Castelré de pest uit. Meerle telde op dat moment geen 500 inwoners meer. Honderd jaar eerder waren er dat nog 1.260.

Op 20 juli brachten twee karren gekwetste soldaten van Baarle naar Hoogstraten. Graaf van den Bergh vertrok met zijn troepen eind juli, waarna het terug wat rustiger werd in de regio. Een konvooi trok op 10 augustus langs Hoogstraten, Wortel, Castelré en Meerle naar Breda. Onderweg werd overal vreselijk geplunderd. Een ander konvooi stootte in Hoogstraten een zieke soldaat van de kar. Soldaten van het kasteel zorgden ervoor dat de zieke met het konvooi verder trok.

Op 25 september 1626 werd gemeld dat veel Baarlenaren na plunderingen in het dorp met hun meubelen en goederen naar besloten steden vluchtten. En op 30 september verteerde in Baarle "een partije Statenvolck" voor vierentwintig stuivers bij Ghijsbrecht Snellen, de secretaris.

Op 5 oktober 1626 vertrok het garnizoen uit het kasteel van Hoogstraten. De stad was verlost van de laatste troepen. Wel trokken nog regelmatig konvooien voorbij. Daarom werd er een wacht op de toren gezet. Op 6 oktober werd een akte bezorgd voor de gouverneur waarbij het kasteel tot neutraal gebied werd verklaard. De contributie van het Land van Hoogstraten werd in Den Haag kwijtgescholden wegens de geleden schade. De bode vertrok op 8 september en keerde terug op 13 oktober. Op 19 oktober passeerde een troep soldaten uit Breda met twee verslagen groepen van de vijand. Die werden op wagens meegevoerd. Op 28 oktober bekwam Hoogstraten voor 15 gulden een Hollandse sauvegardebrief voor de periode van een half jaar. Op 3 november werd de Vrijheid overvallen door 30 soldaten uit Breda die voor 10 gulden en 6 stuivers verteerden.

Op 13 november werd er een akkoord bereikt met Laureys de dekker, die zich bereid verklaarde de zorg voor de pestzieken in het gasthuis op zich te nemen. Zijn vergoeding bedroeg 7 gulden per week en brandhout voor eigen gebruik. Op 12 december wachtte kapitein Van der Laenen een groot konvooi op in Hoogstraten. Hem werd een stoop wijn geschonken in de hoop dat hij het konvooi buiten op de Dijk halt zou laten houden en dat zo het volk dat het konvooi begeleidde uit de huizen zou blijven. Op 14 december echter werden ruim 600 man voetvolk ingekwartierd. Zij namen hun intrek in de leegstaande huizen om te voorkomen dat ze met pestzieken in aanraking kwamen. De soldaten eisten 4 tonnen bier en 100 grote broden. 's Anderendaags was er voor de burgers geen brood of bier meer voorhanden.

10. Van het Beleg van Breda naar de Retorsie-periode (1626-1635)

Op 12 maart 1626 kwam de schepenbank van Hoogstraten voor de eerste keer na de pesttijd opnieuw bijeen. Normaal bestond ze uit 15 personen, waarvan er nog slechts 4 in leven waren: de borgemeester, twee schepenen en een gezworene. In de stad woonden nog 14 gezonde, werkende mannen. Op 20 april werd een telling gehouden. Er verbleven dan 21 gezinnen, o.a. arme ambachtslieden (kleermakers, kuipers, schoenlappers en metsers), handwerkers en behoeftigen die van aalmoezen moesten leven. In totaal waren er 70 communicanten (bewoners boven de 12 jaar, dienstboden niet meegerekend). Slechts 8 bunders land waren bezaaid. Niet meer dan 27 huizen waren bewoonbaar, de andere werden afgebroken of dreigden bij de minste storm ineen te storten. Deze schamele bevolking werd nog dagelijks lastig gevallen om eten en drinken en soms met geweld uitgeschud en beroofd door de militaire konvooien die vanuit Lier of Herentals optrokken naar Breda.

Frederik Hendrik, prins van Oranje

Frederik Hendrik was een geniale veldheer. Hij ging in de tegenaanval en veroverde achtereenvolgens Oostelijk Twente (1626) en de Achterhoek (1627). Piet Hein overwon in 1628 de Spaanse Zilvervloot waardoor Spanje in financiële moeilijkheden geraakte. Dat begunstigde de aanval van Frederik Hendrik op Brabant en Limburg. In 1629 nam hij na een lang beleg 's Hertogenbosch in met 120.000 soldaten. Daarbij sloeg hij verscheidene aanvallen af: de Spanjaarden probeerden om met behulp van de keizerlijke troepen de stad te ontzetten.In 1632 veroverde Frederik Hendrik Venlo, Roermond en Maastricht. Een krachtige poging van Spanje en de keizer om Maastricht te ontzetten, mislukte. Graaf Van den Bergh liep met zijn leger prompt over naar Frederik Hendrik.

Vanaf 1630 beterden de tijden: in Minderhout bijvoorbeeld bleven slechts zes korenrenten onbetaald. De Baarlenaren vroegen de bisschop van Antwerpen om hulp bij de heropbouw van de St-Salvatorkapel. Die was afgebrand omtrent 1582. In 1648 werd de heropbouw voltooid. Ronddolende soldaten bleven de streek teisteren. In 1634 werden in Baarle soldaten uit het garnizoen van Zandvliet aangemaand zich te houden aan het plakkaat, niet meer af te eisen voor kost en drank dan voorgeschreven en het land niet af te stropen.

11. De Retorsie-periode (1636-1638)

In 1635 sloten de Verenigde Nederlanden een verbond met Frankrijk om de Spanjaarden uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven. In de Meierij van 's Hertogenbosch en daarna ook bij ons begon in 1636 de Retorsie-periode: noordelijke troepen overvielen menigmaal burgerlijke en geestelijke functionarissen, die gevangen werden genomen. Na de overval konden de gijzelaars worden vrijgekocht. Drie jaar lang bleef de pastoor van Hoogstraten ondergedoken. Uit de naburige dorpen werden dopelingen bij hem gebracht: daar waren de pastoors gevlucht. In 1638 hield de retorsie op en keerden de pastoors terug. Op 13 september 1636 werd er op Bedaf aanzienlijke schade veroorzaakt door de cavalerie van het Staatse leger onder leiding van luitenant-generaal Stakenburch.

De pogingen om de Spanjaarden uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven, mislukten. Antwerpen kon niet worden veroverd en Roermond en Venlo vielen opnieuw in Spaanse handen. Alleen enkele grensvestingen werden ingenomen: Breda kwam in 1637 na een beleg van elf weken terug in handen van de Staatsen. Op 24 juli 1637 ontving Baarle een sauvegardebrief van de prins.

Spotprent op de vredesonderhandelingen met Spanje

12. De aanloop naar de vrede (1639-1647)

Belangrijke Spaanse troepenversterkingen werden in 1639 op zee bij Duins verslagen door admiraal Tromp. Prins Frederik Hendrik veroverde Sas van Gent (1644) en Hulst (1645). In Baarle werd het raadhuis aan de Singel voltooid (1639), de kerk verbouwd (1640) en kasteel Bruheze "uijt sijn ruinen ende water met sijn torens" heropgebouwd (1642). In 1647 was er schade aan de oogst door hagelslag.

Spanje verarmde zienderogen en de Zuidelijke Nederlanden geraakten steeds dieper in verval. Ook de Verenigde Nederlanden wilden vrede: ze hadden liever het zwakke Spanje als buur dan het groeiende Frankrijk. Verder had de Noordnederlandse handel er belang bij dat Antwerpen met zijn haven op het achterplan bleef. Prins Frederik Hendrik, de echtgenoot van Amalia van Solms, werd ernstig ziek en stierf op 14 maart 1647. Zijn zoon Willem II volgde hem op.

Frederik Hendrik had op 8 januari 1647 nog een akkoord gesloten met vertegenwoordigers van de koning van Spanje, waardoor hij o.a. het land van Turnhout als een leen kreeg toegewezen. Amalia van Solms ondertekende op 27 december van datzelfde jaar een gelijkaardig document. Het land van Turnhout was belangrijk voor de Nassaus: het vormde de verbinding tussen de Oranjesteden Breda en Diest. Bij de Vrede van Münster werden de twee voorakkoorden bevestigd in het uiteindelijke vredesverdrag.

"Met een zucht van verlichting" werd in Minderhout uitgekeken naar het einde van de oorlog. Geen enkele inwoner had ooit vrede gekend. Er werden zelfs weddenschappen afgesloten. Zo verkocht op 11 november 1647 Anthony van Gerwen zijn geweer aan Wouter Peeter Celen. Als voor St.-Jansdag (24 juni 1648) de vrede tussen de koning van Spanje en de Staten van Holland was gepubliceerd, moest Wouter 28 gulden betalen, zoniet schonk hij twee vaten bier, elk ter waarde van 8 gulden, die in elkaars gezelschap moesten worden gedronken. Vrede of niet: feesten zouden ze...

13. De Vrede van Münster (1648)

De Vrede van Münster is een onderdeel van de Westfaalse Vrede. Die kwam tot stand na jarenlang diplomatiek overleg op initiatief van Zweden en het Duitse Rijk. Door toedoen van keizer Ferdinand III groeide het overleg uit tot een congres dat tot doel had een einde te maken aan de oorlog waarin Noord-, West- en Midden-Europa sinds het begin van de 17de eeuw bijna permanent hadden verkeerd. Langzamerhand werden ook Spanje, Portugal, Frankrijk en de Verenigde Nederlanden in de voorbereidingen betrokken. Venetië en de Heilige stoel kregen een bemiddelende rol toebedeeld.

Spanje en het Duitse Rijk waren de voornaamste voorstanders van het sluiten van vrede. Frankrijk verzette zich ertegen en in de Verenigde Nederlanden waren de meningen verdeeld. Holland ijverde uit handelspolitieke overwegingen voor een snelle vrede, ondanks een in de Alliantie met Frankrijk opgenomen clausule die een verbod van een afzonderlijke vredessluiting inhield. Frederik Hendrik en Amalia van Solms waren sterk pro-Frans. Hun aanhang in de Staten-Generaal werd vooral gerepresenteerd door Utrecht en Zeeland, twee tegenstanders van een afzonderlijke vrede. De motivering van de Zeeuwen was van religieuze aard (vrede met het katholieke Spanje heette een verbond met de anti-christ), maar in feite was deze gefundeerd op de belangen van de Zeeuwse kaapvaart op de Spaanse koloniën in Amerika. Ondanks een pamflettencampagne aangestookt door de Franse ambassadeur, dreef Holland de overeenkomst door. Het voorlopige vredestraktaat werd met uitzondering van Zeeland door de gewesten ondertekend op 30 januari 1648: "Articulen en conditien van den Eeuwigen Vrede geslooten tusschen den Groot-machtigen Koninck van Hispaignen/etc. ten eender/ ende de hoog-mogende Heren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden/ ten ander zijde onderteijckent en bezegelt den 30sten januarij 1648 Tot Münster..."

Door de Vrede van Münster werd de Republiek der Verenigde Nederlanden formeel erkend als een vrije staat en de grens met Spanje werd getekend op basis van de frontsituatie. Het oude hertogdom Brabant werd gesplitst: Baarle-Hertog, behorend tot het land van Turnhout, bleef bij Spanje terwijl Baarle-Nassau als onderdeel van de Baronie van Breda bij de Republiek kwam. Op 15 mei werd de Vrede van Münster plechtig bezworen in het raadhuis te Münster. De officiële bekendmaking in de Verenigde Nederlanden volgde op 5 juni 1648, nadat Zeeland op 30 mei had verklaard zich erbij neer te leggen. Op 24 oktober 1648 sloot ook Frankrijk vrede met de keizer in ruil voor gebieden in Elzas en Lotharingen. Daarmee was de Vrede van Westfalen voltooid.

De Schelde bleef gesloten waardoor de Zuidelijke Nederlanden steeds meer achterop geraakten. Dit betekende voor Hoogstraten het einde van de wolnijverheid. Ook de handel ondervond nadeel en het bleef lange tijd onveilig op onze wegen.

Ter gelegenheid van de afkondiging van de vrede was er op 5 juni een groot volksfeest: wellicht werd er gratis bier geschonken op elk gehucht, werden pleinen en gebouwen verlicht met teerpotten en luidden dagenlang de kerkklokken. In de steden werd vuurwerk ontstoken. De kater van het feest kwam op16 juni: bij verordening werden de kerken gesloten en eigende de prins van Oranje zich alle kerkelijke goederen en kerken van de Baronie van Breda toe. Religieuzen en begijnen ontvluchtten de Republiek. Velen kwamen naar Turnhout en Hoogstraten.

Onderschout Daniël Buyckx kwam namens de prins beslag leggen op alle kerkelijke goederen in Baarle-Nassau. Op 3 juli 1648 vond een calvinistische beeldenstorm plaats in de zopas heropende Salvatorkapel van Nijhoven. Nadat de rabauwen beelden en schilderijen hadden vernield, probeerden ze het 15de eeuwse houten kruisbeeld van de Calvarieberg stuk te trappen. Het bleek echter te sterk. Door de inwoners werd de "onteerde Christus" nadien in veiligheid gebracht in de Remigiuskerk. De calvinistische karavaan poogde vervolgens de kerk van Baarle-Hertog te sluiten, wat kon worden verhinderd door onderpastoor Gerardus Van Herdegom, witheer van Tongerlo (°Mechelen 28 april 1617, +Baarle 3 oktober 1675). Van Herdegom was een bekende geschiedschrijver. Hij schreef reeds vóór 1648 zijn Diva Virgo Candida (De blanke H. Maagd), in 1650 op 531 pagina's gedrukt in Brussel.

Van Herdegom deed meermaals een beroep op Amalia van Solms wanneer de kerk dreigde te worden geannexeerd. Als leenvrouwe van de koning van Spanje was Amalia verplicht het katholieke geloof in de Heerlijkheid Turnhout te verdedigen, dus ook in Baarle-Hertog. De Remigiuskerk werd gered voor de katholieken. Tegelijkertijd bleven ook de Baarlese enclaves behouden. Het behoud van de enclaves en vooral de komst van de rijksgrens zouden honderden jaren lang conflicten veroorzaken tussen de Baarlenaren en de vertegenwoordigers van hun verschillende overheden. Het is deze scheiding die we herdachten met de organisatie van de Landdag van het Verbond Voor Heemkunde op zaterdag 3 oktober 1998. Precies 350 jaar geleden werd de basis gelegd van de huidige rijksgrenzen in Baarle.

Afkondiging in Antwerpen van de Vrede van Münster

 

In dit artikel beschrijf ik de "grote" gebeurtenisen tijdens en rond de levensloop van de familieleden in de stambmen... Geschiedenis Brabant, Breda, Noorder-Kempen... bronnen openbaar op internet gevonden. Het artikel is nog in ontwikkeling...

 

  In 1740 werd Hoogstraten tot hertogdom verheven, maar amper een halve eeuw later, tijdens de Franse overheersing, verloor het de titels van stad en hertogdom. Door de fusies van gemeenten in 1977 werd Hoogstraten weer samengevoegd met de omliggende dorpen Meer, Meerle, Meersel-Dreef, Minderhout en Wortel, en sinds 1985 mag Hoogstraten zich weer stad noemen.

Meersel-Dreef

Geschiedenis Meersel en Dreef

Meersel bleef lange tijd zeer landelijk. Meer naar het noorden, aan de grens met Nederland ontwikkelde zich een nieuw gehucht Dreef dat sterker bebouwd was en ook het centrum van de gezamenlijke parochie Meersel-Dreef werd. De bebouwing van de gehuchten is naar elkaar toegegroeid zodat de twee gehuchten nu als een dorp met de naam Meersel-Dreef aangezien worden. Bij de fusie van Meerle en Hoogstraten heeft men ervoor gekozen om Meersel en Dreef samen te voegen tot Meersel-Dreef.

In Meersel-Dreef ligt ook het noordelijkste punt van België.

Dreef

Dreef is ontstaan rond het Kapucijnenklooster dat in 1687 werd gebouwd in de buurt van de Mark. De kloosterkerk doet dienst als parochiekerk voor de parochie Meersel-Dreef en het klooster zelf doet sinds 1968 dienst als kapelanij. In 1889 werd een beukendreef naar het klooster aangelegd. De Dreef, die sinds 1953 beschermd is, gaf zijn naam aan het gehucht dat er rond ontstond. Verder zijn als monument erkend het Mariapark (bedevaartsoord) en de Meerselmolen, een watermolen op de rivier de Mark die dateert uit de 14e eeuw.

Meersel

De naam Meersel wordt voor het eerst vermeld als Meersele, wat plaats aan een waterplas betekent. Meersel was reeds rond het jaar 1200 bewoond. Deze bewoners waren afkomstig uit Meer. Meersel is ouder dan Meerle dat vanuit Baarle ontgonnen werd. Er ontstond zo een straatdorp langs de weg Leuven-Breda. Meersel werd al vroeg verdeeld over de heerlijkheden Meer (eigendom van de Heer van Meer) en Meerle (eigendom van de abdij van Thorn) en dit zou gedurende de ganse middeleeuwen niet wijzigen. Ook bij het ontstaan van de gemeenten in 1795 bleef het gehucht verdeeld over de 2 gemeenten.

In 1223 werd te Meersel reeds een kapelletje gebouwd. In 1421 werd een nieuwe kapel gebouwd in opdracht van de Heer van Hoogstraten. Deze kapel, de Sint-Luciakapel, werd ingewijd op 28 april van dat jaar en ze deed dienst als hulpkapel voor de kerk van Meerle. Tot op de dag van vandaag is de kapel een druk bezochte bedevaartplaats. In 1935 en in 1982 werd ze gerestaureerd en in 1953 werd de kapel geklasseerd als beschermd monument.

Geschiedenis Meerle

Dit is het dorp waar de familie Boeren het eerst werd aangetroffen. De eerste sporen van bewoning stammen uit het jaar 992. In een akte uit dit jaar is er sprake van een schenking van enkele goederen te Baarle, de plek waar het dorp op kerkelijk vlak eeuwenlang toe behoorde, aan de abdij van Thorn. De Gravin van Strijen, Hilsondis, had toen grote delen van het huidige West-Brabant in bezit. Samen met haar man Ansfried stichtte zij in Thorn de Abdij van Thorn. Om het klooster van inkomsten te voorzien, schonk Hilsondis haar bezittingen aan de abdij. De schenking van haar Baarlese bezittingen staat vermeld in een kopie van een akte waarvan het origineel zou dateren uit 992. De originele akte is echter verloren gegaan en de kopie zou op een vervalsing berusten. De naam Meerle zelf duikt dan weer voor het eerst op in een akte uit 1223 toen in de toenmalige kapel een benificie gesticht werd. Meerle was een zelfstandige gemeente tot einde 1976.

Geschiedenis Strijbeek

Het huidige Strijbeek is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan als beekdalnederzetting. Hier kwam de Oude Bredase Baan uit op de verbindingsweg tussen Hoogstraten en Breda. Het dorp is, ondanks deze gunstige ligging, nooit écht tot ontwikkeling gekomen.

Op 2 januari 1814 vond hier de Slag bij Strijbeek plaats, tussen Napoleontische en Pruisische troepen. Deze culmineerde in de Slag bij Hoogstraten, op 11 januari van dat jaar.

Geschiedenis Galder

Omstreeks de 10e eeuw moet op de plaats van het huidige Galder al een nederzetting zijn geweest. In 1299 werd de plaatsnaam voor het eerst vermeld. In een document werd het tiendrecht toegewezen aan de Abdij van Thorn. Aan de noordzijde van het huidige dorp bevonden zich de hoeven van deze Abdij, waaronder de Oude Hoeve van Galder ofwel de cijnshoeve, die voor het eerst genoemd werd in 1343.

 

Geschiedenis Baarle (verbonden met Meerle en in de regio)

Voorgeschiedenis

Tal van archeologische vondsten bewijzen dat de omgeving van Baarle al een lange bewoningsgeschiedenis heeft. Zo werd in 1842 op de Bedafse Heide een Germaanse begraafplaats gevonden, en op de Molenheide een Frankische begraafplaats. Ook een bronzen strijdbijl werd aangetroffen, en in de buurtschap Tommel (de naam is afkomstig van het Romeinse Tumulus of grafheuvel) werd een urn opgegraven.

Uit archeologisch onderzoek in 1950 bij de Sint-Salvatorkapel is gebleken, dat er sinds de 8e eeuw op die plek ook al een kapel moet hebben gestaan. Dit was de tijd van Willibrord. Hij en zijn volgelingen bouwden hun kapellen bij voorkeur op oude heilige plaatsen. De eerste vermelding van Baarle dateert uit 992. De Gravin van Strijen, Hilsondis, had toen grote delen van het huidige West-Brabant in bezit. Samen met haar man Ansfried stichtte zij in Thorn de Abdij van Thorn. Om het klooster van inkomsten te voorzien, schonk Hilsondis haar bezittingen aan de abdij. De schenking van haar Baarlese bezittingen staat vermeld in een kopie van een akte waarvan het origineel zou dateren uit 992. De originele akte is echter verloren gegaan en de kopie zou op een vervalsing berusten.

Ontstaan van het dorp

Nabij de huidige Baarlese buurtschap Loveren kwamen vanouds een aantal belangrijke verbindingswegen bij elkaar, die mogelijk al in de Romeinse tijd zijn aangelegd. Het gaat om de weg Turnhout-Breda, de weg Nijmegen-Antwerpen (via Alphen en Castelré), en de weg Maastricht-Domburg.

Ten oosten ontstond langs de Maastrichtse baan in het gebied waar de Lei ontspringt, het gehucht Bedaf, het huidige Groot-Bedaf. Ten oosten van de weg van Turnhout over Tommel naar Loveren ontstonden de gehuchten Reth en Schaluinen. Aan de weg naar Weelde ontstonden Nijhoven, Keizershoek en Veldbraak. Meer naar het zuiden ontstonden de gehuchten Gorpeind en Ginhoven. Aan de weg naar Hoogstraten lagen ten oosten van de weg de gehuchten Eikelenbosch en Heesboom. Ten westen van deze weg lag de Heerlijkheid Reuth.

Loveren was aanvankelijk de belangrijkste buurtschap, omdat de wegen daar elkaar kruisten en er ook een plaetse bestond: het driehoekige plein dat kenmerkend is voor veel Brabantse buurtschappen. De straten bij de Sint-Remigiuskerk waren nog spaarzaam bebouwd, zo blijkt uit een oorkonde uit 1429.[1].

Enclaves

Op het einde van de 12e eeuw ontstond er een grensconflict tussen Hertog Hendrik I van Brabant en Graaf Dirk VII van Holland. De laatste wilde zijn invloed naar het zuiden uitbreiden, terwijl Hendrik I liever een buffer tussen zijn hertogdom en het expansieve graafschap Holland wenste. Aldus sloot de hertog een bondgenootschap met de Heer van Breda, Godfried II van Schoten. Deze werd uiteindelijk, in 1198, leenman van de hertog, maar kon in ruil daarvoor een groot stuk land aan zijn bezit toevoegen, waarin een aantal enclaves lagen die aan de Abdij van Thorn of de hertog toebehoorden. Een dergelijk patroon was in die tijd niet ongebruikelijk. In de buurt van Baarle is de grens echter nimmer gecorrigeerd, ook niet toen in 1648 de grens tussen de Spaanse en de Staatse gebieden werd vastgesteld, en al evenmin toen België zich in 1830 losmaakte van Nederland.

De enclaves speelden niet alleen staatkundig maar ook religieus een rol. Het was Amalia van Solms, de vrouw van Frederik Hendrik, die opkwam voor het behoud van de enclaves, zodat de Baarlese katholieken ook na de Vrede van Münster, in 1648, hun geloof konden uitoefenen. De Sint-Remigiuskerk bevond zich immers op het grondgebied van de Spaanse Nederlanden. Door dit alles is te verklaren, dat het centrum van Baarle, één grote en veel dicht bijeen liggende kleine enclaves te vinden zijn. De wat op afstand gesitueerde enclaves komen voort uit eenzaam gelegen akkertjes of boerderijtjes, of velden waar turf werd gewonnen in een moerassig gebied. In 1995 zijn de enclavegrenzen Rijksgrenzen geworden, die voorgoed zijn vastgesteld.

In 1661 werd bij de Raad van State van de Republiek een klacht ingediend. De regenten van Weelde en Poppel beletten de inwoners van het gehucht Groot-Bedaf het vrije gebruik van de vroente. Hierbij kregen ze de steun van de Raad van de Zuidelijke Nederlanden. Hierop liet de Raad van State een onderzoek instellen naar de grenzen tussen het Land van Turnhout en Baarle-Nassau, dat bij de Baronie van Breda behoorde. In 1667 werden de grenzen voor het eerst opgetekend. Er werden 30 enclaves onderscheiden: 22 van Baarle-Hertog, en acht van Baarle-Nassau, waarvan zeven binnen de enclaves van Baarle-Hertog en de achtste bij het gehucht Ginhoven.

Wegverbetering

In de 17e en de 18e eeuw werden de wegen in de Baronie verbeterd. Aan het eind van de 17e eeuw was de weg van Turnhout naar Ginneken als laatste aan de beurt. De weg kronkelde door de heide tussen Baarle en Ginneken. De weg werd geëffend, langs de wegen werden greppels gegraven, opdat het regenwater van de wegen geen modderpoel zou maken. Ook werden er langs de wegen dennenbomen geplant. Tijdens de Spaanse Successieoorlog zouden de wegen veelvuldig gebruikt worden. Besloten werd daarom om de wegen te voorzien van kasseien. De dorpen waaraan deze wegen lagen, waaronder Baarle, Goirle en Alphen, moesten meebetalen. Er werd besloten dat de afzonderlijke dorpen verantwoordelijk waren voor het onderhoud in hun bebouwde kom. De kosten van de wegen tussen de dorpen werden gedeeld door de dorpen. Vanaf 1751 werden de wegen naar Ginneken en verder naar Breda verder verbeterd. Baarle was verantwoordelijk voor de wegen in Baarle en deelde mee in de kosten tussen Baarle en Chaam. De houten brug over de Chaamse beek werd voor het grootste gedeelte bekostigd door Baarle, ook al lag deze beek op Chaams grondgebied. Ook werden de wegen naar Ulicoten en Zondereigen verbreed en met dennen beplant.

De weg naar Poppel liep oorspronkelijk over Nijhoven en Veldbraak. Door de aanleg van een nieuwe weg via Groot-Bedaf werd de route met een half uur verkort. Halverwege ontstond het gehucht Voske. De Singel voor de Sint-Remigiuskerk werd steeds belangrijker voor het dorp. Ook aan de Singel werden nu herbergen gebouwd, zodat het handelscentrum zich steeds meer van Loveren naar Baarle verplaatste. In 1639 werd hier ook een raadhuis gebouwd.

Er ontstond in deze tijd wel een probleem met de breedte van de karren. In de Baronie van Breda werd namelijk voorgeschreven dat de karren verbreed moesten worden. In Baarle, maar ook in de omliggende dorpen waar de wegen nog van zand waren, ontstond veel ophef over dit besluit. Niet alle boeren waren vermogend genoeg om bredere karren aan te schaffen, zodat de wegen veel te lijden zouden hebben. Door de tegenstand van vele dorpen werd besloten dat de verbreding van de karren alleen in het gedeelte van de Baronie dat tot het Kwartier van Antwerpen behoorde, werd voorgeschreven, omdat het daar toch al gemeengoed was.

 

Nieuwe tijd

In 1908 vestigden zich vanuit België de Broeders van De La Salle in Baarle. Daar werd een pensionaat en een school gesticht. In 1987 waren zij weer vertrokken.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het grootste deel van België door de Duitsers bezet en hermetisch van Nederland afgescheiden door een hoogspanningsraster. De Duitsers durfden het echter niet aan om de enclaves binnen te trekken, aangezien deze binnen Nederlands grondgebied lagen en Duitse troepen zich dan door het neutrale Nederland moesten begeven. Aldus bleef de Belgische post en telegraaf werkzaam buiten Duitse controle om.

Na de Tweede Wereldoorlog, en vooral sedert het einde van de 20e eeuw, zijn de Belgische en Nederlandse diensten steeds meer gaan samenwerken. Een aantal zaken zijn gescheiden, andere zijn samengevoegd of in hetzelfde gebouw gevestigd, zoals in 1997 de politiekorpsen. Ook hebben de gemeenten Baarle-Hertog en Baarle-Nassau nu een gemeenschappelijke website.

 

De Franse Tijd (1795-1814)

Toen de Fransen onder Napoleon het bestuur van de Nederlanden overnamen, kwam een einde aan het ancien regime, dat nog gebaseerd was op de situatie en het feodale stelsel vanuit de late middeleeuwen. 

Franse tijd

Na de Franse Revolutie vielen in 1792 troepen van de Franse Republiek de Zuidelijke Nederlanden binnen. In Brabant werden bevelen gegeven door de Raad van Brabant om de veiligheid van de wegen te waarborgen om ongewenste personen te weren. De gemeente Baarle-Hertog stelde een gewapende patrouille aan. Deze patrouille marcheerde ook over de wegen van Baarle-Nassau. De bestuurders van Baarle-Nassau dienden hierop een klacht in bij de Raad en Rekenkamer van Brabant.

Vanuit Hoogstraten vielen de Fransen de Baronie binnen. Breda werd snel veroverd, de Hollandse stad Geertruidenberg volgde snel en werd geplunderd. Een detachement bereikte via Merksplas de heide bij Castelré. Bij Baarle-Brug werd een kamp opgeslagen. De legereenheden waren, zoals toen gebruikelijk, aangewezen op de lokale bevolking van onder andere Castelré en Merksplas. Het vee, graan en voer voor de paarden moest worden afgestaan. Nadat de troepen waren bevoorraad gingen ze via Heesboom en ten westen van Loveren en Baarle naar Boschoven om vanuit daar naar Tilburg op te trekken. De naam Franse Baan van de weg bij Boschoven herinnert nog aan deze operatie. De inwoners van gehuchten als Castelré, Heesboom en Reuth waren aangewezen op de steun van het dorpsbestuur van Baale om hun veestapel te herstellen.

 De gewone mensen waren vaak het slachtoffer van de strijd. Maar de werd heftiger in de streek toen de Nederlanden bevrijd moesten worden van Napoleon. Blijkbaar trokken de wijdse gebieden, doorkruist met strategisch gelegen wegen aan tot het uitvechten van de veldslagen. Of had het te maken met het tempo van de verplaatsingen van de troepen?

De Slag bij Hoogstraten werd op 11 januari 1814 uitgevochten tussen het Franse leger en geallieerde Pruisische, Russische en Britse troepen in het kader van een oorlog waar we nu niet veel meer van horen. De slag was een reeks van bloedige treffen tijdens de Zesde Coalitieoorlog langs de huidige Belgisch-Nederlandse grens van Essen tot en met Turnhout. De slag werd vernoemd naar Hoogstraten als de belangrijkste stad in de regio. Voorafgaand aan de slag bij Hoostraten vond wat noordelijker op 2 januari 1814 de slag bij Strijbeek plaats in de buurt van de Gouberg.

 
Medaille slagHoogstratenAfbeelding: medaille (oktober 1814) gemaakt voor het Congres van Wenen, met vermelding van de Slag van Hoogstraten, collectie Stedelijk Museum Hoogstraten

Verloop

De geallieerden kwamen op 11 januari 1814 sterk opzetten vanuit de regio Breda. Hoofddoel van het offensief was Antwerpen en de belangrijke haven aldaar. Vooral de strijd in het centrum van Minderhout was ongemeen hevig en hard. Met de bajonet op het geweer werd lijf-aan-lijf gevochten om het oude kerkhof in een brandend Minderhout. Ook andere gemeenten, zoals Meer, Wortel, Hoogstraten-centrum, Loenhout en Malle, deelden in de klappen. De verliezen aan beide zijden liepen hoog op. Honderden militairen werden gedood of gewond. De slag en haar nasleep hadden een grote impact voor de bevolking in de Noorderkempen.[1]

Dit betekende het einde van de Franse Tijd in Hoogstraten.[9]

 

 

Historie van Breda...

 Breda en diens heersers lieten ongetwijfeld hun invloed volen tot in de huidige grensstreeek van Meer en Meerlee waaar de families Roelands en Boeren hun wortels hebben. Daarom motett ook ietsover de historie van Breda in die tijd worden vermeld;

 

ederzetting en burcht

Overeenkomst
Breda 1350 bevestigd met muren en wallen
Breda in 1653 volgens Willem en Joan Blaeu
Breda 1743,gegraveerd door B.F. Immink
Breda 1869[2]

Nadat er in 1125 melding is gemaakt van een nederzetting wordt er in de 12e eeuw aan de rechteroever van de Mark bij deze nederzetting een burcht, het Kasteel van Breda, gebouwd. De locatie was ongeveer halverwege Brabant en Holland. De nederzetting lag op een uitloper van uitgestrekte zandgronden. Op deze zandgronden waren reeds andere steden, zoals Bergen op Zoom, tot bloei gekomen. Ook lagen bij deze nederzetting verschillende kruispunten van wegen die van het noorden naar het zuiden gingen en van oost naar west. De nederzetting werd omwald en tijdens de Nederlandse Opstand enorm uitgebreid.Lunet B is het enige overgebleven stuk van dit in de 16e en 17e eeuw uitgebreide en verbeterde verdedigingswerk.

De burcht die bij deze nederzetting is gebouwd, moest de scheepvaart op de Mark controleren en werd spoedig bewoond door de Heren van Breda. In 1198 wordt voor het eerst melding gemaakt van het Castellum van Breda. De natuurlijke verbreding op de plaats waar de Mark en de Aa samenvloeiden, was ideaal voor een aanleghaven[3]. Hiermee hangt ook de naam van Breda ("brede Aa") samen.
Andere historici vinden een dergelijke interpretatie een renaissancistische verdichting en wijzen op een mogelijk pre-germaanse oorsprong.[4]
De rivier de Mark begint als een nietig stroompje bij Merksplas in België. Pas vanaf Breda, waar zij samenvloeit met de Aa wordt zij een ongeveer twintig meter brede, diepe stroom. Het dal waar de rivier in stroomt, is echter enkele honderden meters breed. Het dal kon gemakkelijk onder water lopen, zeker als het vloed was. De Mark stond immers in open verbinding met de zee. Eeuwenlang bestond er een sterke getijdenwerking die zelfs tot in Hoogstraten merkbaar was. In de Bredase haven bedroeg het verschil ongeveer zestig centimeter.[3].

Een eigen bestuur

Omdat er vroeg in de 12e eeuw melding gemaakt wordt van een nederzetting met de naam Breda, mag aangenomen worden, dat de stad dus niet gesticht is, zoals dat het geval was met 's-Hertogenbosch in 1185.  's-Hertogenbosch werd door de hertog van Brabant gesticht om de noordgrens ten opzichte van het hertogdom Gelre te markeren en verdedigen. Tevens is bekend dat in 1116 de naam Breda voor het eerst wordt gebruikt als familienaam. Men mag aannemen dat het verkrijgen van stadsrechten een opwaardering is van de nederzetting.

De koop van de privileges van de heer Hendrik IV van Schoten in 1252 wordt beschouwd als de handeling waardoor Breda stadsrechten heeft verkregen. Anderen zijn de mening toegedaan dat Breda reeds eerder stadsrechten had. Een oorkonde daaromtrent ontbreekt echter. De mogelijkheid wordt geopperd, dat Breda kort na 1200 stadsrechten kreeg, toen Breda omwald werd met palissaden voorzien van stenen poorten[5]. In een overeenkomst tussen de hertog van Brabant en de heer van Breda uit 1223[6] wordt in een Nederlandse vertaling gesproken over: “De Burgt en Stadt van Breda”, de (oorspronkelijke) Latijnse tekst luidt echter: "Castrum & Villa", dat juist vertaald burcht & boerderij, gehucht of dorp betekent. Voor burcht & stad zou de Latijnse aanduiding immers "Castrum & Civitas" zijn geweest. Op basis hiervan lijkt het aannemelijk dat Breda eerst na 1223 stadsrechten heeft verkregen, waardoor ook het jaar 1252 weer in aanmerking komt.

Het gevolg van het verkrijgen van stadsrechten was dat de horigen stadse vrijheid kregen. Ze waren geen eigendom meer van de heer van Breda en vielen onder het stadsrecht. Breda moest hierdoor ook een nieuw rechtscollege vormen. Zo'n rechtscollege werd in deze periode de schepenbank genoemd. Dit woord is afgeleid van het Middelnederlands woord sceppen, wat scheppen betekent; een schepenbank schept namelijk recht. Het stadsbestuur was verantwoordelijk voor de rechtspraak en de uitvoering ervan. Het idee van Charles Montesquieu[7] om de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht van elkaar te scheiden, werd pas vijf eeuwen later bedacht.

Het verkrijgen van de stadsrechten was waarschijnlijk het gevolg van een burcht aan de oever van de Mark. Deze burcht werd Castellum van Breda genoemd. Bij deze burcht was er een nederzetting met een kerk, die vermoedelijk van tufsteen was gebouwd. Deze kerk stond op de plaats waar nu de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk staat. Rond deze nederzetting had men een aarden wal opgeworpen met daarom heen een gracht. De gewonnen aarde ten behoeve van de gracht, werd gebruikt voor de omwalling. Deze omwalling was waarschijnlijk de aanleiding van Godfried II van Schoten[8] om Breda op te waarderen en stadsrechten te verlenen. Uit archeologisch onderzoek tussen 1976 en 1983 is gebleken dat deze omwalling dateert van tussen 1198 en 1212.

Binnenstad

De omwalling had de vorm van een hoefijzer. De opening daarvan lag in het westen bij de rivier. De aan wal gebrachte goederen werden binnen de omwalling verkocht. Over het algemeen stimuleerde de omwalling van een stad de handel, zo ook in Breda. Vanuit de wijde omtrek trokken mensen naar Breda om daar hun handel te drijven. Breda, liggende in het kwartier van Antwerpen, trok natuurlijk ook handelaren uit Antwerpen naar Breda.

In het begin van de 14e eeuw rond 1333 wordt Breda ommuurd. Men kan de stad in en uit via drie stadspoorten, de Eindpoort op de kruising Eindstraat-Karnemelkstraat, de Gasthuispoort op het kruispunt van de Veemarktstraat en de Vlasmarkt en de Tolbrugpoort vlak bij de haven op het einde van de Tolbrugstraat. Restanten van de funderingen van de stadsmuur zijn te zien in het Park Valkenberg. Al snel breidt de stad zich uit buiten de poorten en worden de muren vervangen door vestingwerken. In de Middeleeuwen is Breda kleine handelsstad van circa 30 hectare. In de 14e eeuw waren er circa 2700 inwoners.

Breda had drie stadspoorten, de Haagpoort of Antwerpse poort en een wapenplein aan het einde van de Nieuwe Huizen, bij de tegenwoordige Fellenoordstraat. De poort is gebouwd in 1682 tussen de bastions Prins en Holland. Er was een brug en dam naar het ravelijn Bülow vanwaar men over een brug op de Straatweg naar Antwerpen kon. De enige versiering was een sluitsteen met een leeuwenkop, die zich bevindt in het Breda's Museum. De tweede stadspoort was de Ginnekenpoort die zich bevond tussen de bastions Noord en Chassé, waarop de molen De Vier Winden stond, welke in 1912 is afgebroken. Links van de poort was het molenaarshuis. In zuidelijke richting was er een dam naar de Ginnekenpoort die uitkwam op het ravelijn Greve en vandaar sloot de weg aan op de Straatweg naar Ginneken. De Ginnekenpoort is gesloopt tussen 4 maart en 11 april 1870. De derde stadspoort was de Boschpoort, gebouwd in 1774 was gelegen op de kop van de Boschstraat met een wapenplein. De Boschpoort lag tussen de bastions 's Bosch en Mansfeld. Voor de poort was het ravelijn Prins Maurits. Buiten de poort splitste de weg zich in linksaf naar Terheijden en Moerdijk en rechtdoor naar 's-Hertogenbosch en Oosterhout. De Boschpoort had het wapen van de stad. Op het fronton aan de buitenzijde was het wapen van Prins Willem V.

Band met de Nassaus

Van oudsher is er een band tussen Breda en het huis Nassau door de heren van Breda wonende op het Kasteel van Breda. Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg ligt begraven in het Praalgraf van Engelbrecht I van Nassau in de Grote- of Onze Lieve Vrouwekerk aan de Grote Markt in Breda.
De prins van Oranje, Frederik Hendrik, stichtte in 1646 een Illustere school in Breda, die de naam College van Oranje kreeg.

 

Heren van Schoten

De oudste heren van Breda waren van het geslacht Brunesheim. Zij kwamen uit Tienen in de Haspengouw (tegenwoordig in Vlaams-Brabant) en vestigden zich rond 1100 in de streek tussen Antwerpen en Breda, waar zij Heren van Breda en Schoten werden.
Toen Hendrik V, de laatste heer van Breda uit dit geslacht, in november 1268 kinderloos stierf, gingen zijn bezittingen naar zijn zus Isabella en haar man Arnoud van Leuven, heer van Gaasbeek.

De splitsing van 1287

Aangezien Arnoud en Isabella zelf ook geen kinderen hadden, splitsten zij de heerlijkheid in tweeën. Na de dood van Arnoud in juli 1287 (Isabella was al in 1280 overleden) ging het westelijke deel (Bergen op Zoom) naar de nakomelingen van Isabella's oudtante Beatrix, die getrouwd was met Arnold II van Wesemaele.

Geslacht van Gavere

Het oostelijke deel (Breda) ging naar de nakomelingen van Isabella's oudtante Sophie, die getrouwd was met Raso VI van Gavere, heer van Liedekerke. Hun zoon Raso VII van Liedekerke werd als Raso I de eerste heer van Breda uit het geslacht van Gavere. Vier generaties later (Raso I, Raso II, Raso III en Philips) kwam Breda in handen van Philips' dochter (en enige kind) Adelheid van Gavere en haar man Gerard van Rasseghem.

Verkoop aan Brabant in 1326

Dit echtpaar verkocht de heerlijkheid Breda in 1326 aan hertog Jan III van Brabant. Deze verpandde Breda in 1339 aan Jan I van Polanen uit het geslacht van Wassenaar en stelde diens halfbroer Willem van Duivenvoorde aan als heer in usufruct (vruchtgebruiker).

Geslacht van Polanen

Samen met zijn zoon Jan II van Polanen (1324-1378) pandde Jan I vanaf 9 december 1339 van hertog Jan III van Brabant de heerlijkheid Breda, waarvan zijn halfbroer Willem het vruchtgebruik kreeg. Samen met zijn vader bouwde Jan II er een kasteel. In 1350 verkocht Jan III van Brabant het Land van Breda voor 43.000 florijnen aan Jan II van Polanen en werd het gebied een hoge heerlijkheid.

Het geslacht van Nassau in de Nederlanden vanaf 1403

Erfdochter Johanna van Polanen (1392-1445), vrouwe van Breda en de Lek, trouwde op 1 augustus 1403 in Breda met Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg. Tot Johanna 's erfenis behoorden vele heerlijkheden en ridderhofsteden in Holland en Brabant, Henegouwen, Utrecht en Zeeland. Door dit huwelijk begon de opkomst van het Huis Nassau in de Nederlanden. Aangezien Johanna het enige kind was van Jan III van Polanen, kwamen diens titels, via Johanna, terecht bij Jan IV van Nassau, de zoon van Engelbrecht en Johanna. De titels Heer van Polanen en Baron van Breda behoren nu, ruim zes eeuwen later, nog steeds tot de titels van de Nederlandse koning(in).

 

Tachtigjarige oorlog

Kaart van gedeelte Brabant in 1645 gemaakt door Blaeu
Kaart van gedeelte Brabant in 1645 gemaakt door Blaeu

Brabant start de algemene opstand

Bij de opvolger van keizer Karel V, Filips II van Spanje liep het echter mis. De Tachtigjarige Oorlog brak uit omwille van diens eigenzinnige kerkhervormingen. In het begin hield Brabant zich afzijdig, maar na de massale muiterijen onder de Spaanse troepen en uiteindelijk de plundering van Antwerpen (stad) (de Spaanse Furie) in november 1576, riepen de Staten van Brabant op eigen voorstel de Staten-Generaal van de Nederlanden bijeen, waaruit de Pacificatie van Gent voortkwam. Even later verenigden alle gewesten (behalve Luxemburg) zich in de Unie van Brussel tegen de aanwezigheid van de Spaanse troepen. Op deze manier wist Brabant in samenwerking met Willem van Oranje de gematigde en radicale opstandelingen te verenigen. De nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, moest zwichten voor deze massale opstand en liet zijn troepen terugtrekken naar het Spaansgezinde Luxemburg na de ondertekening van het Eeuwig Edict.
Maar de vrede is van korte duur en na de verovering van de Citadel van Namen op 24 juli 1577 en de volledige vernietiging van het staatse leger in de Slag bij Gembloers op 31 januari 1578, wist Don Juan de stad Leuven te veroveren. Brabant was toen sterk verzwakt, en in sommige steden braken gevechten los tussen calvinisten en katholieken.

Parma's offensief

1rightarrow blue.svg Zie ook Parma's negen jaren.

De opvolger van Don Juan, de Spaanse generaal Alexander Farnese, heroverde in de jaren 1579-1585 geheel Brabant.
Op 1 juli 1579 vond het Schermersoproer plaats; toen raakten de calvinisten en katholieken van 's-Hertogenbosch met elkaar slaags en na een bloedig gevecht overwonnen de katholieken, die de stad uitleverden aan de Spanjaarden. Om te voorkomen dat het katholieke Mechelen hetzelfde zou doen, nam de staatse burgemeester van Brussel, Olivier van den Tympel de stad uit voorzorg in (Engelse furie). Bovendien sloten alle Brabantse steden (natuurlijk op de Spaanse steden 's-Hertogenbosch en Leuven na) zich dat jaar aan bij de Unie van Utrecht. In 1581 verklaarden de bij deze Unie aangesloten gewesten zich onafhankelijk met het Plakkaat van Verlatinghe. Ondertussen veroverden de Spanjaarden Breda (Furie van Houtepen). Het volgende jaar valt Lier door verraad in Spaanse handen.

In 1585 komt de genadeklap; de steden Brussel en Mechelen gaan verloren, en uiteindelijk ook de belangrijkste stad Antwerpen, die al maandenlang werd belegerd terwijl hulptroepen uit het noorden meermalen vergeefs geprobeerd hadden de stad te ontzetten. De Val van Antwerpen wordt gezien als de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Ten slotte vallen ook Grave (1586), en Geertruidenberg (1589). Alleen Bergen op Zoom blijft uit handen van de Spanjaarden.

Maurits' offensief

1rightarrow blue.svg Zie ook Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog).

Met de vernietiging van de Spaanse Armada in 1588 keerde het tij van de oorlog; Maurits van Oranje-Nassau en Willem Lodewijk begonnen een grote veldtocht om Brabant te heroveren voor de Republiek der Verenigde Nederlanden. Als eerste werd Breda heroverd met het Turfschip.
Later versloeg Frederik Hendrik de Spanjaarden in het Beleg van 's-Hertogenbosch. Uiteindelijk werd het noordelijk deel van Brabant bij vredestraktaat door Filips IV van Spanje overgedragen aan de Republiek als Generaliteitsland, het zogenaamde Staats-Brabant. Het werd bestuurd door de Noordelijke Staten-Generaal.

Generaliteitsland van de Republiek

Het noorden van Brabant fungeerde voornamelijk als wingewest en militaire bufferzone, pogingen van de Republiek om de bevolking van Noord-Brabant protestant te maken mislukten dan ook. In deze periode werd Noord-Brabant stelselmatig financieel uitgekleed door de Republiek, waardoor er van economische ontwikkeling nauwelijks sprake was. Omdat de overgrote meerderheid van de bevolking katholiek bleef of uit frustratie weer was geworden, werd Noord-Brabant niet als volwaardige, achtste provincie tot de Republiek toegelaten. De katholieken in Noord-Brabant werden door de Republiek beperkingen opgelegd in hun geloofsuitoefening, hierdoor ontstonden vele schuilkerken.

Franse tijd

1rightarrow blue.svg Zie ook Franse tijd in Nederland en Bataafs-Brabant.

In 1795 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden omvergeworpen en de Bataafse Republiek gesticht, die de katholieken als gelijkwaardige burgers erkende. De grenzen verschoven vele malen in de Franse tijd. Het Generaliteitsland Staats-Brabant werd in 1795 een provincie, met de naam: Bataafs-Brabant, maar al in 1798 werd die opgesplitst nieuwe departementen door de Franse overheersers.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Na de val van Napoleon in 1815 werd op het Congres van Wenen bepaald dat onder andere de Oostenrijkse Nederlanden en de voormalige Bataafse Republiek samengevoegd zouden worden tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Heel het gebied van het oude hertogdom Brabant werd nu weer in één staat verenigd en verdeeld in drie provinciën: Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant (met Brussel en Leuven). Noord-Brabant werd bij die gelegenheid uitgebreid met enkele stukken van Holland (de gebieden ten zuiden van het Hollandsch Diep en de Merwede) en de voormalige heerlijkheden Megen, Boxmeer, Gemert en Ravenstein.

Tijdens de Belgische Opstand in 1830 bestond er onder de bevolking van het voor 90% katholieke Noord-Brabant wel enige sympathie voor de Belgische zaak, maar die bleef binnen de perken en de uitingen daarvan konden door de Nederlandse autoriteiten zonder veel moeite worden onderdrukt.

Nederlandse provincie

Vanaf het einde van de 19e eeuw werd de provincie meer en meer geïndustrialiseerd. Textiel werd geproduceerd in Tilburg en Helmond, terwijl Eindhoven uitgroeide tot de vijfde stad van Nederland dankzij Philips en DAF. Voormalige kleine plaatsen groeiden zo snel uit tot nieuwe industriesteden. Breda en 's-Hertogenbosch stonden bekend als historische centra en als oude garnizoenssteden van Brabant, getuige de vele kazernes die de beide gemeentes herbergen. Daarnaast is ook Bergen op Zoom een oude garnizoensstad met een monumentale historische kern.

Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch

Het Rijke Roomse Leven

Vanaf ongeveer 1900 en vooral na de Eerste Wereldoorlog verzuilde Noord-Brabant sterk (evenals de rest van Nederland). Bijna het gehele openbare leven zoals scholing, gezondheidszorg en vrijetijdsbesteding werd door de kerk aangestuurde verenigingen, vakbonden, etc. beheerst. Iedere katholieke Brabander werd geacht hieraan deel te nemen en de sociale controle hierop was groot. Dit wordt ook wel het tijdsbestek van het Rijke Roomse Leven genoemd. Na het Tweede Vaticaans Concilie en tijdens de roerige jaren 60 brokkelde de verzuiling snel af. Heden is nog ongeveer de helft van de Brabanders katholiek. Het kerkbezoek onder de Brabantse bevolking is in snel tempo verminderd. Zo zijn in het bisdom 's-Hertogenbosch, dat het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant bestrijkt, 1.178.000 katholieken (57,5 procent van de bevolking). Ieder weekend bezoeken gemiddeld 87.190 inwoners van dit gebied de H. Mis in een RK kerk, wat slechts 4,3 procent van de totale bevolking is.

01. Tachtigjarige oorlog (tekst)

tachtigjarige oorlog algemeen 01Afkondiging in Antwerpen van de Vrede van Munster

1568-1648

In 1998 was het precies 350 jaar geleden dat de Vrede van Münster werd ondertekend. Duitsland vierde deze gebeurtenis toekomstgericht onder het motto "Vrede als een opdracht: 350 jaar tolerantie en godsdienstvrijheid". De Nederlandse herdenking stond in het teken van de politieke vrijheid: "350 jaar erkenning van de Nederlandse staat". In België werd de Vrede van Münster alleen in Baarle-Hertog herdacht.

Op zaterdag 3 oktober namelijk organiseerde onze vereniging de Landdag van het Verbond Voor Heemkunde. Wij belichtten de gevolgen van de Münsterse Vrede voor de toenmalige en de huidige bewoners van de grensstreek. De Vrede bracht onze voorouders geen tolerantie of vrijheid, maar godsdienstvervolging en politieke onmondigheid. Voor onszelf betekende de Vrede van Münster: "350 jaar scheiding der Nederlanden". Nergens werd die scheiding duidelijker ervaren dan in de enclavedorpen Baarle-Hertog en Baarle-Nassau: de rijksgrens liep er al 350 jaar kriskras doorheen.

De Vrede van Münster beëindigde één van de gruwelijkste periodes uit de geschiedenis van ons heem: de Tachtigarige Oorlog. De Nederlanden waren toen een onderdeel van het machtige Spaanse Rijk. Halverwege de 16de eeuw groeide bij onze voorzaten het ongenoegen naar aanleiding van het buitengewoon strenge optreden van koning Filips II tegen de hervormden, zijn pogingen tot vestiging van het absolutisme (alleenheerschappij) en de grote invloed van vreemdelingen op de regering. De Nederlanden wilden een zelfstandig bestuur. Vooral na het vertrek van Filips II naar Spanje in 1559 verergerde de toestand. Toen bleek dat de Nederlanden geheel vanuit Spanje zouden worden geregeerd.

In 1566 deed de lagere adel een poging om verandering te brengen in het regeringsstelsel. Vierhonderd edelen vroegen de opheffing van de inquisitie (vervolging van hervormden) en de verzachting van de plakkaten. Dit versterkte het Calvinisme: vluchtelingen keerden terug, predikanten ontwikkelden een grotere bedrijvigheid, hagepreken werden gehouden en in de zomer kwam het tot een felle uitbarsting van godsdienstig fanatisme en plunderzucht: de beeldenstorm bereikte op 23 augustus 1566 de stad Turnhout. Daar werden o.a. de St.-Pieterskerk, de Begijnhofkerk, de Theobalduskapel, de priorij Corsendonck en het Gasthuis geplunderd. Ook in Breda werden van 22 tot 24 augustus in de zopas voltooide kerk heiligenbeelden zwaar beschadigd of vernield: St.-Salvator en de twaalf apostelen, Onze-Lieve-Vrouw in de Zon, enz. Ook het Sacramentshuisje werd er verwoest.

tachtigjarige oorlog algemeen 02Beeldenstorm

De gemoederen raakten verhit waardoor katholieken en hervormden mekaar gingen bestrijden. Een waar schrikbewind werd gevoerd en duizenden hervormden weken uit. Willem van Oranje vertrok reeds op 22 april 1567 uit Breda omdat Noircarmes met zijn Spaanse troepen een dag eerder Turnhout had ingenomen. Willem leidde het verzet vanuit zijn stamslot Dillenburg in Duitsland. In het voorjaar van 1568 drong zijn broer, Lodewijk van Nassau, met een leger Groningen binnen: de 80-jarige oorlog was begonnen. Filips II achtte een voorbeeldige bestraffing noodzakelijk en stuurde de strenge hertog van Alva naar de Nederlanden. De door hem opgerichte Raad van Beroerten velde talrijke doodvonnissen.

Om te weten wat de Vrede van Münster betekende voor de gewone burger, moeten we ons verplaatsen naar het jaar 1648. Het is tevens belangrijk om alle ellende te kennen die aan de vrede voorafging. Laten we daarom eens kijken wat zich tussen 1568 en 1648 afspeelde in de omgeving van Baarle, laat ons zeggen in het gebied tussen de steden Breda, Hoogstraten en Turnhout. .

1. De eerste oorlogsjaren: Alva in de Nederlanden (1567-1572)

De eerste oorlogsjaren verliepen in onze omgeving tamelijk rustig. Er werd niet gevochten. Breda, Turnhout en Hoogstraten waren alledrie in Spaanse handen. Toch heerste er heel wat ellende: soldaten maakten zich schuldig aan brandschatting en knevelarijen. Het dagelijkse leven was ontwricht. De boeren kregen het zwaar te verduren en de nijverheid lag zo goed als stil. In Hoogstraten bijvoorbeeld kwijnde de wolweverij weg: wevers stierven of weken uit naar veiliger oorden. Ook de handel ondervond hinder, wat zeer nadelig was vermits onze regio destijds een strategische positie innam tussen Vlaanderen en de Hanzesteden.

tachtigjarige oorlog algemeen 04Hagenpreken buiten Antwerpen

In 1568 liet Jonker Jan van Treslong hageprekers toe op zijn hoeve aan de Beemden in Minderhout. Zij kwamen de pachters bekeren tot het nieuwe geloof. Van Treslong werd daarvoor in Brussel onthoofd. Reeds een jaar later brak in Turnhout de pest uit. De ziekte bleef er drie jaar lang de kop opsteken. In 1570 lag in het Huis metten Thoren (thans Taxandriamuseum) brandhout opgestapeld voor de doortrekkende legers van Noord en Zuid. Het huis zelf was vervallen. Al het lood was verwijderd voor het smelten van munitie. Het Minderhoutse kerkgoed werd in 1571 naar Antwerpen in veiligheid gebracht. De koffer werd pas in 1577 teruggehaald. De ontevredenheid over het bestuur van Alva nam toe omdat deze nieuwe belastingen wilde heffen: de honderdste penning (een éénmalige belasting van 1% op alle bezit), de twintigste penning (5% belasting op de verkoop van onroerende goederen) en de tiende penning (10% op de verkoop van roerende goederen).

tachtigjarige oorlog algemeen 03Alva

2. De strijd om Holland en Zeeland (1572-1579)

In 1572 werd Den Briel veroverd op Alva. In Holland en Zeeland brak een volksopstand uit en de eerste vrije Statenvergadering kwam bijeen. De tocht van stadhouder Maurits door de Zuidelijke Nederlanden mislukte en Don Frederik, de zoon van Alva, ging via de Maas in de tegenaanval naar Gelderland en Holland. Op 25 juni 1572 werd Dordrecht veroverd door de geuzen. Don Frederik sloeg hard terug: Mechelen, Zutphen en Naarden werden op 2 oktober volledig uitgemoord. In 1573 werd Alva vervangen door Requesens, maar veel veranderde dat niet aan het gevoerde beleid. In 1574 werd Middelburg op de Spanjaarden veroverd. Leiden werd bijna een jaar lang tevergeefs door hen belegerd.

Rondzwervende benden speelden vanaf de val van Dordrecht baas in de baroniedorpen: schouten en ambtenaren sloegen op de vlucht. Vanuit Klundert en Fijnaart werd overal geplunderd. Jarenlang bleef het erg onveilig. In Minderhout was Hendrik van Bedaff, rector van het H. Sacramentsaltaar, op de vlucht wegens het gevaar. Hij keerde pas in 1575 terug.

Een jaar later werd Geert Jan Geerts van Hal in Minderhout "door die van Hollant" gevangen genomen. Hij kwam slechts vrij na het betalen van 500 gulden losgeld.

In 1576 stierf Requesens. De Spanjaarden namen Zierikzee in, maar hun troepen werden al maandenlang niet meer betaald en begonnen te muiten. Ze kozen hun eigen leiders, verlieten de bezette plaatsen in het Noorden en trokken naar de Zuidelijke Nederlanden, waar geweldig werd geplunderd. In Antwerpen eiste de Spaanse Furie maar liefst 10.000 doden. In 1577 werd het Eeuwig Edict afgesloten tussen de nieuwe landvoogd Don Juan van Oostenrijk en de Staten-Generaal: de Spaanse troepen zouden het land verlaten en de katholieke godsdienst zou opnieuw overal de heersende zijn. Holland en Zeeland verzetten zich echter. Don Juan veroverde het kasteel van Namen waarna katholieken en protestanten de Unie van Brussel sloten: de aanhangers van beide godsdiensten beloofden mekaar te beschermen.

Bij ons was er niet veel te merken van de gevoerde vredesonderhandelingen. Breda werd zwaar belegerd door soldaten van Hohenlohe. Op 4 oktober 1577 verlieten de gevreesde Duitse eenheden van het Spaanse leger de stad. Onmiddellijk na hun uittocht trok Hohenlohe Breda binnen en na tien jaar kwam de Baronie "tot grote blijdschap van de ganse borgerie" terug in handen van de eigen heer, Willem van Oranje.

In 1578 ging ook Amsterdam over naar Willem van Oranje. De groei van het Calvinisme werkte de verdeeldheid opnieuw in de hand. Don Juan versloeg het leger der Staten bij Gemblaux. Don Juan stierf en Alexander Farnese, de hertog van Parma, werd aangesteld tot zijn opvolger.

tachtigjarige oorlog algemeen 06Schermutselingen op de Dam in Amsterdam

3. Van kwaad naar erger: Farnese in het offensief (1578-1585)

Het strijdtoneel in de Nederlanden verplaatste zich langzaam naar onze contreien. In 1577 ging in Hoogstraten de ommegang niet uit omwille van de vrees voor rondzwervende soldaten. Ook in 1578 en 1579 was er geen ommegang tijdens de kermis. Tot overmaat van ramp viel in de zomer van 1578 graaf Maximiliaan van Boussu, de heer van Turnhout, met een machtig leger de Vrijheid van Hoogstraten binnen. De soldaten werden in Hoogstraten en Minderhout ingekwartierd en de oogst van de boeren werd volledig vernield.

Artois en Henegouwen sloten in 1579 de unie van Atrecht. Zij verzoenden zich met Farnese. Tegelijk sloten de meeste Noordelijke gewesten en de grote steden in Brabant en Vlaanderen de Unie van Utrecht, een militair bondgenootschap. Farnese was aan de winnende hand. Steeds meer steden in het zuiden werden veroverd.

Turnhout kreeg soldaten van prins Willem van Oranje op bezoek, namelijk op 11 en 15 februari 1579. Ook Farnese trok door Turnhout. Hij was op weg naar Maastricht. Op 25 oktober viel in Hoogstraten een regiment Spanjaarden binnen, te weten het Tertio van Lombardije van het regiment van Baldens. Ze beroofden ook de inwoners van Minderhout van hun gewassen. Er bleef geen "goet, hoey oft stroey" meer over. Alle Minderhoutenaren werden uit hun dorp verdreven. Tien weken lang was iedereen op de vlucht. In Hoogstraten heerste er pest. Op het begijnhof werkte een schrobberes die er de pestzieken verzorgde. Bredase ruiters maakten zich van 1579 tot 1581 vaak schuldig aan het plunderen en brandschatten van de dorpelingen in en buiten de Baronie. Ze roofden koopwaar en levensmiddelen. In een tweetal ordonnanties nam Willem van Oranje begin 1580 openlijk stelling tegen deze kwalijke daden.

Groningen, Drente en Overijsel kozen in 1580 de Spaanse zijde. Filips II sprak datzelfde jaar de ban uit over Willem van Oranje. Hij beloofde diens moordenaar een grote beloning en een verheffing in de adelstand.

In 1581 werd de pastorij van Minderhout door de geuzen van het kasteel van Hoogstraten bijna geheel verwoest. Alleen de grote zaal en een gedeelte van het dak bleven overeind. Ook het bos werd "afgekapt en bedorven". De volgende jaren waren er eveneens veel verwoestingen. Het kasteel van Turnhout viel in handen van de Hugenootse kolonel De la Garde. Breda werd door de Spanjaarden heroverd in de nacht van 28 op 29 juni en verschrikkelijk geplunderd. Deze gebeurtenis ging de geschiedenis in als "de furie van Haultepenne" en eiste maar liefst 600 mensenlevens. Er waren slechts 400 overlevenden: het overgrote deel van de Bredase bevolking was op de vlucht. Filips II, koning van Spanje, schonk de getroffen stad vrijdom van Brabantse tol. Tevens riep hij Breda uit tot vrije stad.

Kasteel Bruheze te Baarle werd in de zomer van 1581 ingenomen door 40 misnoegde Spanjaarden, de zogenaamde Malcontenten. Ze lieten het kasteeltje door de opgeëiste inwoners van Baarle versterken. Van daaruit ondernamen ze akties tegen Breda. De gouverneur van Breda (Van Stakenbroek) bestookte het kasteel met twee kanonnen. Zonder succes overigens waarna De la Garde oprukte vanuit Breda en Bruheze belegerde met ruiterij, voetvolk en kornetten. Na een hevige beschieting volgde de overgave. Turnhout werd bezet door het leger van graaf Pieter van Boussu.

In 1582 werd Willem van Oranje in Antwerpen gewond bij een aanslag. Omstreeks datzelfde jaar brandde de St.-Salvatorkapel van Nijhoven af. Tot 1606 werden de diensten er "onder den blauwen hemel" gedaan. In de zomer van 1582 viel het Spaanse leger van De la Garde Hoogstraten binnen. De inwoners van Minderhout leden schade aan hun graangewassen en werden beroofd van hun meubels en beesten. Het leger bleef in Hoogstraten en Minderhout ingekwartierd tot het kasteel van Hoogstraten aan hen werd overgeleverd. Vanuit het kasteel werden vervolgens plundertochten georganiseerd. De plaatselijke bevolking behield pot noch lepel, zelfs geen stukje brood in haar schapraai. Paarden werden meegenomen en zelfs schoenen werden onder bedreiging afgestaan. Vele boerderijen en huizen werden afgebroken: er was brandhout nodig. Deze situatie duurde voort tot in 1583 het kasteel aan de Spanjaarden werd overgegeven. Farnese kwam in Turnhout tot een vergelijk met de dolende en uit Spaanse dienst gevluchte Duitse ruiters van paltsgraaf Johann Casimir.

Het leger van Willem van Oranje nam in 1583 opnieuw het kasteel van Hoogstraten over. Ook Minderhout werd daarbij volledig geplunderd. Slechts weinig goederen of beesten bleven gespaard. Alle huizen, schuren en stallen werden afgebroken door de soldaten en gebruikt als brandhout. In Wortel brandden 13 boerderijen af. Overal werden de gewassen vernield. Het Staatse leger rukte verder op naar Turnhout en Diest. Turnhout was belangrijk voor de Nassaus: het lag tussen Breda en Diest, twee Oranjesteden. In mei werd het kasteel van Turnhout belegerd door de Spaanse troepen van graaf Ernst van Mansfelt. Turnhout kreeg daarna een schutsbrief van Willem van Oranje.

tachtigjarige oorlog algemeen 07
Willem van Oranje

4. Toestand in de Kempen (eind 16de eeuw)

Essen: geen inwoners
Kalmthout: 6 gezinnen (voorheen: 750 misgangers)
Westmalle: 24 gezinnen (voorheen: 300 gezinnen) op het slot van de heer
Zandhoven: 40 inwoners
Halle: onbewoond sinds 1579, in 1587 16 inwoners verscholen in de kerk
Oostmalle: 25 gezinnen (voorheen: 350 misgangers)
Lille: 60 inwoners (voorheen: 700 misgangers)
Viersel: onbewoond
Massenhoven: 6 inwoners
Herenthout: 60 inwoners verscholen in de kerk, dorp platgebrand
Wechelderzande: 40 inwoners
Loenhout: geplunderd en platgebrand, bijna onbewoond
Broechem: platgebrand op 10 juni 1584
Duffel: platgebrand op 24 augustus 1584, veel bewoners doodgeslagen
Heist-op-den-Berg: kerk afgebrand in 1585 en veel inwoners vermoord
Wommelgem: platgebrand op 26 mei 1590
Poederlee: 8 gezinnen (voorheen: 200 misgangers)
Tielen: 32 gezinnen
Gierle: bijna onbewoond
Geel: 1350 misgangers (voorheen: 3000 misgangers)
's Gravenwezel: 91 misgangers (voorheen: 350 misgangers)
Herselt: 32 woningen (voorheen: 106 woningen)
Hoogstraten: 350 kerkgangers (voorheen: 1100 kerkgangers)
Lichtaart: 78 huizen (voorheen: 153 huizen)
Mol: 1175 kerkgangers (voorheen: 1700 kerkgangers)
Noorderwijk 75 misgangers (voorheen: 110 misgangers)
Rijkevorsel: 81 misgangers (voorheen: 404 misgangers)
Zoerle-Parwijs: 18 inwoners

In 1584 werd Willem van Oranje vermoord in Delft. Zijn zoon Maurits volgde hem op aan het hoofd van het leger. Farnese veroverde Brugge en Gent. Hij maakte zich op voor het beleg van Antwerpen.

Op 16 november kwam de heer van Balanson met een compagnie ruiters in Hoogstraten aan. Ze verbleven er enkele maanden, lang genoeg om in Hoogstraten en Minderhout iedereen van zijn granen te beroven. En dit ondanks de sauvegarde die men daar onlangs tegen betaling had bekomen. Alle inwoners van Hoogstraten en Minderhout sloegen op de vlucht en een jaar lang woonde er niemand meer. Velen kwamen om: van de 70 Minderhoutse huwelijksparen bleven er maar twee in leven. Bij de terugkeer van de overlevenden restten er nog één paard en vier of vijf koeien. Er heerste onnoemelijk veel armoede.

Antwerpen gaf zich in 1585 over aan Farnese. De val van Antwerpen bracht een vluchtelingenstroom op gang. Maar liefst 40.000 sinjoren verlieten hun stad noordwaarts. De Schelde werd door het Staatse leger afgesloten zodat de stad wegkwijnde.

In juni werd een nieuwe pastoor voor de parochie Minderhout benoemd. Wegens het oorlogsgeweld arriveerde hij pas drie jaar later. In Hoogstraten werd de plaatselijke ordonnantie tegen de pest uitgebreid: was er pest uitgebroken of dreigde er een pestepidemie?

5. Het Noorden op weg naar zelfstandigheid (1585-1609)

Alle dorpen leden onder het aanhoudende oorlogsgeweld. Zo woonden anno 1587 in Minderhout slechts vijf gezinshoofden, allen op het gehucht Hal. Minderhoutdorp, Ybbruggen, den Aert en Bergen Vyffhuysen waren verlaten. Maar liefst 61 "hoeven ende woonsteden metter stallingen, schueren ende andere huysinghen waren afgebroken en afgebrand". In het dorp stond alleen nog de kerk overeind. Die was volledig verwoest en geplunderd. De altaren waren stukgeslagen en afgebroken, de klokken gestolen. De kerk zat zonder inkomsten omdat de gronden en velden braak lagen. In Meerle waren ongeveer 50 boerderijen onbewoond en gedeeltelijk verwoest. De gronden waren niet bezaaid. De overgebleven Meerlenaren getuigden op 3 december: "'t dorp is cleyn van inwoonderen, die welcke inwoonderen oic van sobre conditien ende macht syn, mits den affsterven van de ingesetenen, die van miserien ende van den pesten gestorven sijn in grooten getale." In Meer woonden welgeteld 32 gezinshoofden. Wortel telde er nog 14. Dertien boerderijen waren daar afgebrand tijdens het beleg van het kasteel van Hoogstraten (1583). Daarnaast waren er nog eens 25 boerderijen onbewoond en onontgonnen. Tot overmaat van ramp viel tijdens de oogst graaf Karel van Mansvelt met zijn Spaanse leger Hoogstraten binnen. Op elf dagen tijd verdween de gehele oogst in Minderhout.

tachtigjarige oorlog algemeen 12Graaf Karel van Mansfeld

In 1588 bezette Commissaris Georgio Basta Hoogstraten met een Spaanse compagnie ruiters en een regiment Duitse knechten. De inwoners van Minderhout sloegen vijf maanden op de vlucht en verbleven in andere dorpen. Alle goederen en beesten werden geroofd. Ruiters en knechten moesten worden voorzien zich van het nodige verteer. Geert Jan Geerts van Minderhout verklaarde dat hem gedurende de oorlog reeds 18 paarden en 24 melkgevende koeien waren ontstolen. Zijn boerderij op Hal werd door de geuzen tot in de grond afgebrand.

In 1589 maakte Filips II een tactische fout: hij liet Farnese zijn werk niet afmaken, maar mengde zich in Britse en Franse aangelegenheden waardoor zijn positie in de Nederlanden verzwakte: Farnese moest elders gaan vechten. Spanje verzwakte financieel. De Staten-Generaal zorgde intussen voor een goede verstandhouding met Frankrijk en Engeland.

Begin maart 1590 veroverde kapitein Charles de Héraugière de stad Breda door middel van een list: hij smokkelde een aantal van zijn manschappen het kasteel binnen. Die zaten verborgen in het ruim van een turfschip. Deze inname betekende voor stadhouder Maurits het begin van een schitterende reeks successen. Breda zou Staats blijven tot 1625. In Turnhout kampeerde omstreeks september 1590 het leger van graaf van Mansfelt. Hij werd uit het kasteel verdreven door geuzen uit Breda.

Maurits veroverde in 1591 Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen. De Thornse goederen in de Baronie van Breda werden datzelfde jaar door de Raad van State belast met de vijfde penning, later zelfs met de dubbele vijfde penning. Protesten van de abdij brachten in 1609 Maurits ertoe de dorpsbesturen in de Baronie van Breda de opdracht te geven voortaan van die dubbele belasting af te zien.

In 1592 veroverde Maurits Steenwijk en Koevorden. De Spaanse aanvoerder Farnese overleed en zijn opvolgers kregen de volgende jaren te kampen met geldgebrek en muiterij.

De burgerij van de Baronie van Breda had eveneens alle reden tot klagen omwille van de belemmering van het handelsverkeer. Door hun strooptochten maakten de Spanjaarden dit bijna geheel onmogelijk. In de zomer van 1592 kwamen nog geen honderd wagens de stad binnen, terwijl dat aantal in normale omstandigheden 700 à 800 bedroeg. Ook het verkeer te water was door het optreden van zogenaamde stroomrovers erg onveilig geworden. Half mei hield graaf van Mansfelt in Turnhout een troepenschouw over meer dan 8.000 Spaanse manschappen. Eind juni overvielen Staatse troepen o.l.v. Marcelis Backx in de straten van Turnhout het leger van de markies van Varabon.

In 1593 nam Maurits Geertruidenberg in. En op 2 april van datzelfde jaar veroverden geuzen uit het garnizoen van Breda door middel van de list met de "soetelaar" het kasteel van Turnhout. Een soetelaar was een handelaar die met zijn kar bier leverde. Hij liet zijn paard stoppen op de ophaalbrug en duwde een schildwacht in het water. Dit was het afgesproken sein voor de soldaten die zich verborgen hadden in een nabijgelegen, afgebrande woning. Zij namen probleemloos het kasteel in. Vier maanden later echter werden ze daar weggejaagd door Mondragon.

Groningen werd in 1594 ingenomen door Maurits. De pastoor van Alphen, Mattheus Antonii Gorissen van Iersel, moest vluchten voor het krijgsvolk en zat zes weken gevangen in het kasteel van Turnhout. Batterijen van prins Maurits bestookten tevergeefs met meer dan 100 kanonschoten datzelfde kasteel. In Minderhout werd de afgebrandde Kapel van den Akker hersteld. De kerk was nog niet heropgebouwd. Het zou tot 1604 duren vooraleer ze weer onder dak stond. De missen vonden voorlopig plaats in de begijnhofkerk van Hoogstraten. In 1595 werd het dorp opnieuw volledig verwoest. Er woonden nog 2 gezinnen.

In 1596 sloten de Staten een verbond met Frankrijk en Engeland. Het jaar daarop trok het zuidelijke leger 4000 man voetvolk en 500 ruiters samen te Turnhout. De troepen stonden o.l.v. graaf Varax. De Staatsen bemerkten het gevaar: zij vreesden voor een aanval op Breda of Bergen-op-Zoom. Op 22 januari 1597 arriveerde Maurits in Geertruidenberg met 5000 man infanterie, 1000 ruiters, 150 schepen, 80 wagens met ammunitie en voedsel, twee halve kartouwen en twee veldstukken met een bespanning van 100 paarden. Op 23 januari kwam een deel van dit leger aan in Ravels. Op 24 januari verliet het leger van Varax Turnhout en trok zich terug richting Herentals. Het vluchtende leger werd achtervolgd en verslagen door de Staatsen. Varax stierf tesamen met honderden soldaten, mogelijk zelfs 2000. 's Namiddags veroverde Maurits het kasteel van Turnhout. De Noordelijke vleugel brandde volledig af. Het kasteel werd vervolgens door beide partijen neutraal verklaard: de benedenvensters en de poort werden toegemetseld, de ophaalbrug werd afgebroken. Het gebouw verkommerde en verviel tot een ruïne. Het lag in puin tot na 1649.

De afgebroken en afgebrandde Minderhoutse huizen en erven lagen meestendeels nog steeds in vogelwei en onbebouwd. Er woonden ongeveer veertig families. De pastoor moest om veiligheidsredenen vaak uitwijken naar Breda. Minderhout behoorde toen bij het dekanaat Breda.

In 1598 bevrijdde Maurits de Achterhoek en Twente. Frankrijk en Spanje sloten vrede.

Filips II huwde zijn dochter Isabella uit aan Albrecht van Oostenrijk en schonk hen de Nederlanden als bruidschat. Bij kinderloos overlijden echter zouden de gewesten aan Spanje terugvallen. Kort na het huwelijk van zijn dochter overleed de Spaanse koning. Het Spaanse leger betaalde zijn soldaten slecht en op twee jaar tijd braken er twintig opstanden uit

Een brand teisterde de Vrijheid van Hoogstraten. Vier vijfde van de huizen werd in de as gelegd. Slechts zeventig huizen stonden nog overeind, maar de meeste hiervan waren onbewoonbaar.

tachtigjarige oorlog algemeen 10Maurits, prins van Oranje

Maurits veroverde in 1600 Nieuwpoort. Spinola veroverde daarna Oostende. Maurits nam in 1601 Sluis in waarna Spinola Grol in de Achterhoek en Oldenzaal in Twente bezette.

Maar liefst 800 Italiaanse soldaten van het Spaanse leger begonnen te muiten in 1602. Twee jaar lang bezetten zij het kasteel van Hoogstraten en riepen er de Unie van Hoogstraten uit. Hun plundertochten voerden hen naar Antwerpen, Namen en Aken. Ze logeerden zowel op het kasteel als in de Vrijheid. Elk huis herbergde zo'n 50 à 100 soldaten.

In 1603 stierven te Hoogstraten 103 mensen aan de pest: 50 volwassenen, 23 kinderen, 24 soldaten en 6 soldatenkinderen. Het kerkhof lag er vol nieuwe graven zodat die zomer geen gras werd verkocht. Maurits viel met zijn leger Hoogstraten binnen en dreef graaf Frederik van den Bergh met het leger van de Spaanse koning op de vlucht. Hoogstraten werd "verminkt" door het Staatse krijgsvolk. Het kasteel werd belegerd en ontzet. Daardoor werden in Minderhout vruchten en granen geplunderd: het dorp werd volledig geruïneerd. Ook de pastorij met de schuur werden vernield en de pastoor kon zijn belastingen niet meer betalen. Hij vroeg aan de Staten der Verenigde Nederlanden om kwijtschelding voor de jaren 1603 en 1604. Op 26 juli 1603 trok het Spaanse leger van de Hertog van Brabant van Westmalle naar Hoogstraten. Het bestond uit 8 à 9.000 paarden en ontelbaar voetvolk. Huizen en veldvruchten werden vernield. Bijna de gehele stad brandde opnieuw af. Maurits werd verjaagd. Het krioelde van de wolven in de regio en er heerste hongersnood.

In 1604 sloot Engeland vrede met Spanje. Datzelfde jaar werd de kerk van Meerle geheel verwoest. De pest dook op in Turnhout en de gevreesde ziekte zou er twee jaar woeden. In 1606 heerste de pest in Ulicoten. De Salvatorkapel van Nijhoven was gedeeltelijk herbouwd. Er konden terug missen in het gebouw worden gelezen.

De Nederlandse overwinning op de Spaanse vloot bij Gibraltar dateerde van 1607. Zowel Noord als Zuid verlangden intussen naar de vrede: de oorlogskosten liepen hoog op en vooral de Zuidelijke Nederlanden verkeerden in een ellendige toestand. Minderhout telde in 1608 zo'n 220 communicanten (parochianen boven de 12 jaar). De kerk stond er vervallen bij: ze stond weliswaar onder dak, maar de muren waren geschoord. De missen werden nog altijd in de begijnhofkerk van Hoogstraten opgedragen. De abt van de St.Michielsabdij betaalde 200 gulden tot herstel van de kerk.

tachtigjarige oorlog algemeen 09Onderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand

6. De wederopbouw gedurende het twaalfjarig bestand (1609-1621)

Als een voorbereiding op de vrede werd in 1609 een twaalfjarig bestand gesloten tussen de Staten-Generaal en aartshertog Albrecht, eerder tegen de zin van stadhouder Maurits, de militaire leider van de Verenigde Nederlanden. De Republiek voelde zich reeds volkomen onafhankelijk en Maurits vreesde dat Spanje zich zou versterken om na het bestand des te krachtiger aan te vallen. Besloten werd dat iedere partij zou behouden wat hij op dat moment bezat.

De handel herleefde en de wolweverij bloeide opnieuw. De stad Hoogstraten lokte weversgezinnen: vier jaar lang moesten de wevers geen personele belasting betalen. Het bestand was ook gunstig voor de plattelandsbevolking. In Minderhout werd de Kapel van den Akker heropgebouwd na brand en vernieling. En na 20 jaren van herstel werd de parochiekerk herwijd op 1 oktober 1610. Ook de pastoor van Baarle, Isaäc van de Oudewater, was bij de plechtigheid aanwezig. In 1611 mislukte de oogst "door de rijm en de kwade luchten". Volgens de kroniek van Turnhout bevroren op 10 mei alle graangewassen. Het kasteel van Hoogstraten werd voor de rest van het bestand tot neutraal gebied verklaard. In 1613 werd de kapel van Ulicoten hersteld.

Interne geschillen tussen Holland en de andere gewesten, met name tussen Oldenbarnevelt (de voorzitter van de Staten-Generaal) en Maurits (de militaire leider), en ook tussen remonstranten (gematigden) en contra-remonstranten (strenge Calvinisten), leidden vanaf 1614 tot hevige spanningen in de Republiek. Oldenbarnevelt en zijn voornaamste medestanders, o.a. Hugo de Groot, werden in 1618 gevangen genomen. Oldenbarnevelt werd in 1619 terechtgesteld, Hugo de Groot tot levenslange opsluiting veroordeeld. De Synode van Dordrecht (eveneens 1619) versterkte de eenheid binnen de Gereformeerde Kerk. De zogenaamde remonstranten werden vervolgd.

In Duitsland begon de 30-jarige oorlog, een verwoestende krijg die er veel ellende bracht. De strijd begon in Bohemen. Weldra zouden opnieuw de Nederlanden bij de strijd worden betrokken en volgden nog meer beroerde tijden voor de inwoners van Baarle en omgeving.

7. De hervatting van de oorlog (1621-1624)

Het twaalfjarig bestand liep af op 9 april 1621. Omwille van "den uitgang van de trève" (het aflopen van het bestand) was er op Paasdag en Beloken Pasen geen mis in Minderhout. Slechts de derde zondag konden de parochianen hun Pasen vieren. De mensen herinnerden zich maar al te goed welke rampspoed hen had getroffen in het eerste deel van de oorlog (zie Van Wirskaante jg.12, nr.4). Ze vreesden de toekomst: sloten en grendels op de deuren werden overal vervangen. Hoogstraten prijsde zich nog gelukkig: de neutraliteit van het kasteel werd op 23 maart verlengd door de bestuurders in Den Haag en Brussel. De stad bekwam toen ook een sauvegarde of schutsbrief van prins Maurits. Op 18 mei 1621 echter werd al duidelijk dat die bescherming weinig voorstelde: een kar met twee paarden werd aangeslagen door het leger van de prins en meegenomen naar de Demer. De gevechten in onze contreien braken pas echt los vanaf 13 augustus 1621, een maand na het overlijden van aartshertog Albrecht.

Steeds waren er soldaten in de buurt en de dreiging die van hen uitging, drukte zwaar op de bevolking. Zo werden op 2 november 1621 niet minder dan 88 ossen van koopman Willem Stappers uit 's Hertogenbosch aangeslagen tussen Alphen en Baarle. Soldaten uit het garnizoen van Wouw voerden de dieren naar Geertruidenberg. Stappers slaagde erin de ossen terug in zijn bezit te krijgen. Op 15 november arriveerde hij ermee in Hoogstraten. Hij was op weg naar de markt in Lier.

In Minderhout was er met Pinksteren van het jaar 1622 geen mis "duer beleth van den legher van den Staten van Hollant, die naar het Haghenlant trok". Op tweede Pinksterdag was het leger vertrokken. Op de derde zondag na Bamis was er geen mis omwille van de schrik voor het Spaanse leger dat in Brecht lag. Deze soldaten onder leiding van de graaf van Anholt lagen eerst voor Bergen-op-Zoom. Zij legden o.a. in Hoogstraten beslag op de gehele oogst.

Op 29 juli 1623 passeerde in Hoogstraten een sergeant met soldaten uit het garnizoen van Tholen. Op 12 oktober werd de Brusselse deurwaarder Guilliam de Moor voor een spion aangezien en door soldaten van het garnizoen van Geertruidenberg meegevoerd.

Begin maart 1624 kwamen ruiters uit de garnizoenen van Bergen-op-Zoom en Steenbergen langs. En op 15 juni reden rondzwervende ruiters van het garnizoen van Nijmegen in de richting van Antwerpen.

tachtigjarige oorlog algemeen 08
Maurits en Frederik Hendrik, prinsen van Oranje

8. Het Beleg van Breda (1624-1625)

Van augustus 1624 tot mei 1625 lag de streek ten noorden van Baarle vol soldaten: de Spaanse veldheer markies Ambrosius Spinola viel op 28 augustus onverwacht Ginneken binnen en sloeg er zijn hoofdkwartier op. In 17 dagen tijd was Breda omsingeld. Aan het hoofd van zijn troepen stonden o.a. de graven Jan van Nassau en Hendrik van den Bergh. Laatstgenoemde bracht zijn zoon Herman mee om de stiel te leren. Drie weken lang bracht prins Maurits met zijn leger in Made door. Daarna week hij uit naar Roosendaal. Eind 1624 vertrok hij naar Den Haag.

Het Spaanse leger trok eind augustus 1624 door Baarle en Gilze naar Ginneken. De Baarlenaren betaalden vijf dagen lang voor een sauvegarde: wellicht verbleven de Spanjaarden zo lang in ons dorp. Eén der grootste veldheren uit de Tachtigjarige Oorlog, markies Ambrosius Spinola, logeerde op het Goor. Twee tonnen van het beste bier werden hem geleverd door Dirick Meeussen en Dirick Hermans. Spinola bleef er maar één nacht en Lenart Sprangers moest toen "geheel den avont watr voeren opt goor". Neeltken Claes werd bij de doortocht van het leger beroofd van een aarden pot die zij als kuip aan de weg zette "te doene vande dorstige ruyteren ende soldaten".

Een jaar lang passeerden in Baarle konvooien met plunderende, hongerige en dorstige soldaten. Er waren inkwartieringen en dreigend onheil werd in de mate van het mogelijke afgekocht. Alle onkosten werden gezamenlijk door de Baarlenaren gedragen. Iedereen noteerde zijn eigen onkosten en steeds weer moest de dorpskas door het heffen van nieuwe belastingen worden bijgevuld om die extra uitgaven te dekken.

Vooreerst waren er de zogenaamde schutsbrieven of sauvegardes: elk gehucht (Oordeel, Bedaf, Ulicoten, Castelré, Nijhoven,...) betaalde graaf Van den Bergh dagelijks 25 stuivers, althans wanneer hij met zijn ruiters in Baarle lag. In ruil daarvoor bleef het dorp van plunderingen gespaard. Naast dit zogenaamde daggeld kregen de soldaten gratis verteer aangeboden, meestal brood, boter en bier. Allerlei andere voedingswaren verdwenen eveneens in de hongerige soldatenmagen: ham, spek, eieren, kippen, gerst, boekweit, wijn en noten. Voor de paarden was er haver, hooi en stro. Vaak ging het om erg grote bedragen. De Ulicotense rekening liep binnen het half jaar op tot bijna 350 gulden. Peeter Jesper Cruysarts had op zijn beurt op 1 december 1625 ongeveer 210 gulden tegoed van de gemeente. De erfgenamen van Henrick Geeraertsen eisten voor de periode 1620-1629 welgeteld 213 gulden en 17 stuivers.

Daarnaast waren er onvoorstelbaar veel geschenken voor de officiers. Vooral de legerleiding immers moest men voor zich weten te winnen. De pastoor, de stadhouders en de secretarissen reden met paard en kar naar het leger in Ginneken: zij vervoerden haver, hout, heischabben, vette varkens, schapen, hazen en een duizendtal vinken. Don Loys de Benelides ontving zes lopen haver voor zijn paarden. De markies kreeg 19 karpers en meerdere vaten van het beste bier aangeboden. Graaf Van den Bergh ontving zalm en wijn.

Verder waren er vooral onkosten van gederfd loon. Een wagen van een kapitein moest worden hersteld, de Caembrugge werd gerepareerd, enzovoort. Tientallen inwoners hadden werkverlet omwille van gemaakte reizen ten dienste van de gemeenschap: naar Chaam, Alphen, Gilze, Ginneken, Rijen, Riel, Holland, Poppel, Weelde, Turnhout, Tielen, Hoogstraten, Lier en Meerle. Zij vervoerden brieven of goederen. Vaak ook werden ze op weg gestuurd om te informeren naar de eventuele komst van soldaten.

Op 2 september 1624 vaardigden de Staten van Holland een plakkaat uit dat ons omtrent 11 september bereikte: het werd voortaan verboden etenswaren, munitie en krijgsgereedschap te leveren aan het leger van de koning van Spanje. Dat was een streep door de rekening van Spinola: die moest zijn bevoorrading zoeken ver in het binnenland. Hij richtte daarvoor een magazijn op in Lier en drie grote schansen tussen Lier, Herentals en Turnhout. Graaf Van den Bergh waakte met zijn ruiters over de veiligheid van de konvooien. De Baarlenaren vreesden hun komst: konvooien werden gevolgd door plunderende soldaten en soldatenvrouwen die voedingswaren en allerlei huisraad (zoals aarden schotels en potten, stopen, glazen, pannen en boterpotten) roofden. Er werd geen vaste route gevolgd. Voorraadkonvooien kwamen ofwel rechtstreeks van Turnhout, ofwel via Poppel en Bedaf. Tweemaal lagen ze op Nijhoven, een keer in Zondereigen, enzovoort. Steeds werden ze tegemoed gereden met geschenken of om te onderhandelen over een sauvegarde. Jan Snellen soon waakte twee nachten op het kerkhof naar aanleiding van de komst van zo'n konvooi.

Konvooien werden eveneens opgewacht door Spaanse soldaten. Bij Dirick Meeussen dronken elf compagnies twee tonnen bier op twee à drie dagen tijd. Daarna namen ze de begeleiding van graaf Van den Bergh over, die met zijn ruiters op 't Goor achterbleef in afwachting van de terugkeer van het konvooi. Ook in Baarle lagen er schansen ter bescherming van de konvooien: "de Kerckschans op 't Kerckhoft, 't Salvatoirs fort op Nijhoven" en schansen op Bedaf, Bosschoven, Eikelenbos en Ulicoten. Mogelijk was er ook één in Castelré. Het toponiem "Schrans" doet dit namelijk vermoeden. De belangrijkste Baarlese schans echter was gelegen op het Goordonk. Vanaf het Goor controleerden de ruiters van Hendrik Van den Bergh de verre omgeving.

Op 25 september werd het krijgsvolk in Baarle door hun officier uitdrukkelijk verboden brouwers te molesteren. Soms ging het er echt ruw aan toe! Eind september werden de Baarlenaren pas echt bang. Ook in Hoogstraten brak paniek uit: alle waardevolle voorwerpen werden naar Antwerpen gebracht. Hoogstraten betaalde nochtans belastingen aan beide strijdende partijen. Een wachter op de kerktoren luidde er de stormklok telkens een groep ruiters naderde. De poorters vluchtten dan met hun vee, meubelen en andere goederen in de kerk of de schans. Per kist in de kerk moest drie gulden stadsbelasting worden betaald. De stormklok hield op met luiden als de ruiters in de Vrijheid waren aangekomen. In Baarle werd op dezelfde manier gewaakt: Gerart Schriken en Jacob Cornelis van Olmen soon hielden dertien dagen en nachten de wacht. De torenwachters van Baarle verdienden 10 gulden voor bewezen diensten. Later was Geerarden Crabijns vier en een halve dag torenwachter in Baarle.

De paniek in Hoogstraten en Baarle was begrijpbaar: op 3 november 1624 vielen 1.500 ruiters behorend tot het Spaanse leger van de graven De Sarasar en Van den Bergh Castelré binnen. Ze rukten op naar Breda om er deel te nemen aan de belegering. Twee hoeven brandden af: bij Jan Adriaen Ancems bedroeg de schade 600 gulden en bij Marten Anthonis Straetmans 1.300 gulden. Huybrecht Adriaen Huybrechts schonk "negen coppelen kikenen aen compte de Sarasar".

1625 is het ellendigste jaar uit onze geschiedenis. Bijna dagelijks stonden er soldaten, soldatenvrouwen, boden van gouverneurs en zelfs hogere officieren aan de deur om "gedefroyeert" of vrijgehouden te worden: ze eisten eten of drinken, logies of vervoer zonder daarvoor te betalen. Geld of geschenken werden door de dorpsbesturen uitgedeeld om van verdere onkosten gespaard te blijven. De bestuurlijke diensten waren ontregeld. De Minderhoutse kerkmeester had geen manuaal "omwille van de kwade troebelen tijd van het leger". In de kerk van Hoogstraten stonden 12 koffers met kleergoed uit Minderhout en 8 uit Castelré.

tachtigjarige oorlog algemeen 14Graaf Hendrik van den Bergh

Op 4 januari 1625 reisde Hendrik van den Bergh van Wuustwezel naar Baarle. Hij werd begeleid door 24 dienaren, zijn zoon en voetvolk onder leiding van kapitein Martijn. De compagnie zorgde voor de bagage van de graaf. Ten zuiden van Breda vertoefden ook geuzen. In Hoogstraten kwam het die dag tot een treffen met een knecht van de kapitein. De knecht werd daarbij in de schouder geschoten. En op 11 februari kwam Peer de keteleer, met veertien man van de Neerzijde (Nederland) in Hoogstraten. Ook op 15 februari vertoefden er drie geuzen.

Op 5 januari werd de heer van Berlecom, een neef van Hendrik Van den Bergh, met een gebroken been van Hoogstraten naar Baarle gevoerd. Op 16 januari trokken troepen van de graaf opnieuw van Wuustwezel naar Baarle. De graaf zelf, zijn zoon Herman, kapitein Martijn, vier ruiters van markies Spinola, pagen, lakeien en dienaars verteerden in Hoogstraten. Ze dronken Spaanse wijn en aten wit brood. Op 17 januari verbleef de graaf op het fort in Baarle, vanwaar hij vertrok richting Meersel. Diezelfde dag werden vermoeide soldaten met een kar van Hoogstraten naar Baarle gebracht. Ook op 29 januari werd krijgsvolk per kar van Hoogstraten naar Baarle vervoerd. Op 4 en 5 februari vertoefde Van den Bergh opnieuw in Baarle. Daarna was hij in Herentals tot half februari. Op 14 februari trok een konvooi door Meerle naar Baarle. De trommel die het tempo aangaf, werd gehoord tot in Hoogstraten.

Rond 16 februari legden de bewoners van Breda een dam aan in de Mark om de hele streek onder water te zetten. De dam brak door waardoor het opzet mislukte. Op 24 februari verbleef Zijne Excellentie Van den Bergh op het fort van Baarle. Vanuit Hoogstraten werden hem bezorgd: een kabeljauw van 35 stuivers, 100 oesters van 50 stuivers en wit brood ter waarde van 56 stuivers. In het "mandeken" bevonden zich ook een partij oesters voor de heren Francquijn en Wyngaerden. Er lag toen een dik pak sneeuw. Op 1 maart 1625 werden in Hoogstraten twee bevroren soldaten aangebracht. Op 10 maart lag de sneeuw er nog. Op 15 maart was het aan het dooien en stonden de wegen onder water. Die dag vielen 17 soldaten uit Baarle Hoogstraten binnen en verteerden er voor 187 stuivers, uiteraard zonder ervoor te betalen. In Baarle werd het paard van Peeter Adriaen Swanen aangeslagen "ten diensten van den Marquis int legr voor Breda, voerende de wijn die alhier door den grooten sneeu was blijven staen".

Breda werd geteisterd door hongersnood. Turnhout herbergde een compagnie onder leiding van kapitein Diercx en op 19 maart lagen er Kroaten in Zandhoven. Ze trokken via Wechelderzande naar Vlimmeren en zouden op weg zijn naar Beek. Die nacht was er opnieuw paniek in heel de omgeving: Kroaten werden gevreesd voor hun oorlogsmisdaden. Op 20 maart werd in Hoogstraten poeder uitgedeeld aan de plaatselijke schutters. Uit het garnizoen van Baarle kwamen 27 soldaten ter hulp. Op 21 maart werd voor het stadhuis een afsluiting getimmerd in paalwerk. Tevens werden graszoden gestoken voor op de toren en het kerkhof. Op 22 maart verbleef graaf Van den Bergh in Baarle en kampeerden zijn manschappen met de beruchte Kroaten in Zondereigen en Wortel.

Met het lenteweer nam het bezoek van militairen toe: oorlogsvoering was seizoensgebonden. Soldaten werden aangeworven in de lente en weer afgedankt tegen de winter. Op 26 maart 1625 werden brouwketels naar het kasteel van Hoogstraten gebracht om ermee in de behoefte van de ingelegerde soldaten te voorzien. Vanaf 1 mei werden dagelijks twee vaten naar de Vrijheid gebracht in opdracht van graaf Van den Bergh, gouverneur en luitenant-generaal van de ruiterij. Arbeiders moesten heide maaien voor de paarden. Op 1 april kwam markies Spinola op inspectie bij Van den Bergh. In Hoogstraten heerste een ziekte onder de legerpaarden. Op 3 april lagen er 's morgens veel dood op straat (ook op 3 en 27 mei, 4 en 19 juni). Op 16 april werd in Hoogstraten de moordenaar van een soldaat opgehangen. Verscheidene mensen werden in de buurt overvallen en "uitgeschud". Ook in mei waren de wegen nog onveilig.

Ruiters van de Baarlese schans legden beslag op een wagen en gingen ermee fourageren in de richting van Alphen. Adriaan Cornelius van der Voort moest hen 50 stuivers geven om zijn huis en schuur te redden. Zieke soldaten werden van het front aangevoerd en zo snel mogelijk weer weggebracht: de verzorging van een zieke soldaat kostte de gemeenschap veel geld. Jan Matijs Janssen gaf tien stuivers "aen eenen soldaet sieck sijnde ten eynde hij soude vertrecken". En Stoffel Schooten voerde drie zieke soldaten meteen naar Weelde. Torenwachter Geerarden Crabijns daarentegen zag zich verplicht twaalf dagen te waken bij een gekwetste ruiter.

In Den Haag stierf prins Maurits op 23 april 1625. Hij werd opgevolgd door Frederik Hendrik, die op 4 april was gehuwd met Amalia van Solms. Breda geraakte steeds meer zonder munitie en voedsel. Op 24 mei werden paarden naar Lier en Herentals overgebracht: ze waren niet meer nodig aan het front. Breda zou weldra van uitputting door de knieën gaan. Hendrik Van den Bergh zond twee karren naar Antwerpen voor proviand en wijn: eens de overgave van Breda een feit zou zijn, moest er duchtig worden gevierd. Drie soldaten werden naar Brussel gezonden om te melden dat de overgave van Breda nakend was. In het leger heerste een opgewekte stemming. Op 27 mei werd bericht dat prins Frederik Hendrik, die Breda ter hulp was gekomen en bij Dongen zijn kamp had opgesteld, zich terugtrok naar Loon-op-Zand. Hij had vruchteloos gepoogd de stad te ontzetten. De situatie in Breda was echt hopeloos: de rantsoenen brood en meel waren bijna uitgeput. Veel inwoners stierven van de honger en de pest.
  
tachtigjarige oorlog algemeen 11Overgave van Breda

Op 29 mei mochten Spinola en Van den Bergh met de bestuurders van Breda onderhandelen over de overgave van de stad. Na negen maanden belegering werden op 2 juni de vredesvoorwaarden aanvaard en een verdrag ondertekend. Op 5 juni 1625 trokken de troepen van de koning van Spanje Breda binnen. Op het schilderij "Las Lanzas" van Velasquez pronkt de ruiterij van graaf Van den Bergh met haar lange lanzen. In de Republiek was iedereen diep onder de indruk van het verlies van Breda. De stad zou tot 1637 in handen van de Spaanse koning blijven.

Baarle bemachtigde meteen een sauvegarde van de commandant van Breda: Claude de Rije, baron van Balançon. Op 6 juni werd aartshertogin Isabella plechtig onthaald op het stadhuis van Breda. Zij passeerde niet langs Hoogstraten. Kwam zij via Baarle of langs Zundert? Eveneens op 6 juni begonnen de troepen zich uit Baarle terug te trekken. Op 7 juli reisde aartshertogin Isabella met een aanzienlijk leger van Breda naar Brussel. In Hoogstraten werd voor die gelegenheid tinnen eetgerief aangevoerd. De totale uitgaven voor de stad Hoogstraten beliepen voor het jaar 1625 meer dan 4368 gulden. Het logies van Hendrik Van den Bergh alleen al kostte 268 gulden en 12 stuivers aan bedden, lijnwaad, tafels en stoelen. Ook de graaf van Ritberch, de graaf van Emden en graaf Jan van Nassau logeerden een nacht in Hoogstraten.

9. Besmettelijke ziekten na het Beleg van Breda (1625-1626)

In mei en juni stierven een aantal mensen aan "de ziekte van Mansfeld". Graaf Van Mansfeld was met een aanzienlijk leger de Staten van Nederland ter hulp gesneld en zijn leger bestond uit "Engels gepeupel". Het waren brutale kerels, die de kiemen van vreselijke kwalen in zich droegen. Waar ze logeerden, werden mensen aangetast. Ongeveer de helft van de zieken kwamen om het leven. Ook in Baarle en omgeving passeerden al maandenlang Mansfelders.  

tachtigjarige oorlog algemeen 13Graaf Ernst van Mansfeld

In Hoogstraten stierven vanaf 15 juli dagelijks mensen aan de pest. Elke dag passeerden er zieke soldaten. Ook veel paarden kwamen om het leven. Meester chirurgijn Adriaen en de andere dokters verlieten de stad en vluchtten met de schout, de drossaard en enkele schepenen naar Antwerpen. Drie schepenen stierven en de vorster (veldwachter) was al sedert 17 april overleden en niet vervangen. Pastoor Jan Verpoorten reisde kort na 20 juli naar Mechelen waar hij stierf aan de pest. Zijn opvolger Antonius van Mol hield het na twee weken voor bekeken. Op 13 september kwam er een nieuwe pastoor, Jan van Issem. Op 7 oktober werd ook hij aangetast. Twee dagen lang leed hij aan neusbloedingen waarna hij overleed. Zonder burgerlijk en geestelijk gezag was de situatie onhoudbaar in Hoogstraten.

Borgemeester Marten van Geel riep de hulp in van vrouw Aertssen, een pestmeesteres uit Zundert. Op een maand tijd waren er toen al 97 pestdoden begraven (normaal 20 doden per jaar). Vanaf 19 augustus zou de pestmeesteres om de andere dag naar Hoogstraten komen om de zieken te verzorgen. De Minderhoutse vorster Lenaert en Peeter Hansen hielpen haar daarbij. Ze verkocht elke patiënt drankjes voor een bedrag van 50 stuivers. Uit die tijd is een Hoogstratens recept tegen de pest bewaard gebleven: "Men neme voor 2 stuiver olie van anijs, jeneverbessen en zoete amandelen. Meng met wijn of brandewijn en ga dan zitten voor een heet vuur, gestookt met eikenhout, totdat het zweet uitbreekt en kruip dan onmiddellijk in bed." Hete wijn werd wel vaker voorgeschreven tegen de pest. De landdeken E.H. Ivo Van den Heuvel, wonend op het Turnhouts begijnhof, schreef gebeden tegen de pest. Op 22 september kwam vrouw Aertssen afrekenen. Er werd haar 45 gulden betaald voor bewezen diensten. Bij haar vertrek was de pest nog niet helemaal verdwenen. Er waren op dat moment 111 doden begraven.

In Minderhout stierven in 1625 ongeveer 95 parochianen, waarvan 83 aan de pest (gemiddeld overleden daar jaarlijks 6 inwoners). Verder stierven aan de pest ook een edelman uit het leger, een soldaat en een soldatenvrouw. De pest brak uit op 19 juli. Geen dokter of geneesmiddel vermocht er iets tegen. Iedereen, uren in 't ronde, was in paniek. Niet zonder reden, want ook Wortel, Meerle, Ulicoten, Baarle en Turnhout werden door de pest getroffen. Twee derde van de landerijen bleef onbebouwd, renten konden niet meer worden betaald en armoede heerste overal. In Turnhout was het bestuur de stad ontvlucht en vergaderde tijdelijk in Vosselaar.

In Baarle vielen er in de tweede helft van1625 maar liefst 91 doden te betreuren. Ook pastoor Cornelius de Graeve werd besmet bij het bezoek aan een pestlijder en stierf aan de gevolgen van de "haestighe sieckte". De eerste maanden van 1626 stierven nog veel mensen: 151, waarvan 54 in januari en februari. Op 14 augustus 1625 stierf in Castelré Jan Janssens aan de pokken. Zijn vrouw overleed aan dezelfde ziekte op 17 september. Op 17 augustus brak ook in Castelré de pest uit. Meerle telde op dat moment geen 500 inwoners meer. Honderd jaar eerder waren er dat nog 1.260.

Op 20 juli brachten twee karren gekwetste soldaten van Baarle naar Hoogstraten. Graaf van den Bergh vertrok met zijn troepen eind juli, waarna het terug wat rustiger werd in de regio. Een konvooi trok op 10 augustus langs Hoogstraten, Wortel, Castelré en Meerle naar Breda. Onderweg werd overal vreselijk geplunderd. Een ander konvooi stootte in Hoogstraten een zieke soldaat van de kar. Soldaten van het kasteel zorgden ervoor dat de zieke met het konvooi verder trok.

Op 25 september 1626 werd gemeld dat veel Baarlenaren na plunderingen in het dorp met hun meubelen en goederen naar besloten steden vluchtten. En op 30 september verteerde in Baarle "een partije Statenvolck" voor vierentwintig stuivers bij Ghijsbrecht Snellen, de secretaris.

Op 5 oktober 1626 vertrok het garnizoen uit het kasteel van Hoogstraten. De stad was verlost van de laatste troepen. Wel trokken nog regelmatig konvooien voorbij. Daarom werd er een wacht op de toren gezet. Op 6 oktober werd een akte bezorgd voor de gouverneur waarbij het kasteel tot neutraal gebied werd verklaard. De contributie van het Land van Hoogstraten werd in Den Haag kwijtgescholden wegens de geleden schade. De bode vertrok op 8 september en keerde terug op 13 oktober. Op 19 oktober passeerde een troep soldaten uit Breda met twee verslagen groepen van de vijand. Die werden op wagens meegevoerd. Op 28 oktober bekwam Hoogstraten voor 15 gulden een Hollandse sauvegardebrief voor de periode van een half jaar. Op 3 november werd de Vrijheid overvallen door 30 soldaten uit Breda die voor 10 gulden en 6 stuivers verteerden.

Op 13 november werd er een akkoord bereikt met Laureys de dekker, die zich bereid verklaarde de zorg voor de pestzieken in het gasthuis op zich te nemen. Zijn vergoeding bedroeg 7 gulden per week en brandhout voor eigen gebruik. Op 12 december wachtte kapitein Van der Laenen een groot konvooi op in Hoogstraten. Hem werd een stoop wijn geschonken in de hoop dat hij het konvooi buiten op de Dijk halt zou laten houden en dat zo het volk dat het konvooi begeleidde uit de huizen zou blijven. Op 14 december echter werden ruim 600 man voetvolk ingekwartierd. Zij namen hun intrek in de leegstaande huizen om te voorkomen dat ze met pestzieken in aanraking kwamen. De soldaten eisten 4 tonnen bier en 100 grote broden. 's Anderendaags was er voor de burgers geen brood of bier meer voorhanden.

10. Van het Beleg van Breda naar de Retorsie-periode (1626-1635)

Op 12 maart 1626 kwam de schepenbank van Hoogstraten voor de eerste keer na de pesttijd opnieuw bijeen. Normaal bestond ze uit 15 personen, waarvan er nog slechts 4 in leven waren: de borgemeester, twee schepenen en een gezworene. In de stad woonden nog 14 gezonde, werkende mannen. Op 20 april werd een telling gehouden. Er verbleven dan 21 gezinnen, o.a. arme ambachtslieden (kleermakers, kuipers, schoenlappers en metsers), handwerkers en behoeftigen die van aalmoezen moesten leven. In totaal waren er 70 communicanten (bewoners boven de 12 jaar, dienstboden niet meegerekend). Slechts 8 bunders land waren bezaaid. Niet meer dan 27 huizen waren bewoonbaar, de andere werden afgebroken of dreigden bij de minste storm ineen te storten. Deze schamele bevolking werd nog dagelijks lastig gevallen om eten en drinken en soms met geweld uitgeschud en beroofd door de militaire konvooien die vanuit Lier of Herentals optrokken naar Breda.

tachtigjarige oorlog algemeen 15Frederik Hendrik, prins van Oranje

Frederik Hendrik was een geniale veldheer. Hij ging in de tegenaanval en veroverde achtereenvolgens Oostelijk Twente (1626) en de Achterhoek (1627). Piet Hein overwon in 1628 de Spaanse Zilvervloot waardoor Spanje in financiële moeilijkheden geraakte. Dat begunstigde de aanval van Frederik Hendrik op Brabant en Limburg. In 1629 nam hij na een lang beleg 's Hertogenbosch in met 120.000 soldaten. Daarbij sloeg hij verscheidene aanvallen af: de Spanjaarden probeerden om met behulp van de keizerlijke troepen de stad te ontzetten.In 1632 veroverde Frederik Hendrik Venlo, Roermond en Maastricht. Een krachtige poging van Spanje en de keizer om Maastricht te ontzetten, mislukte. Graaf Van den Bergh liep met zijn leger prompt over naar Frederik Hendrik.

Vanaf 1630 beterden de tijden: in Minderhout bijvoorbeeld bleven slechts zes korenrenten onbetaald. De Baarlenaren vroegen de bisschop van Antwerpen om hulp bij de heropbouw van de St-Salvatorkapel. Die was afgebrand omtrent 1582. In 1648 werd de heropbouw voltooid. Ronddolende soldaten bleven de streek teisteren. In 1634 werden in Baarle soldaten uit het garnizoen van Zandvliet aangemaand zich te houden aan het plakkaat, niet meer af te eisen voor kost en drank dan voorgeschreven en het land niet af te stropen.

11. De Retorsie-periode (1636-1638)

In 1635 sloten de Verenigde Nederlanden een verbond met Frankrijk om de Spanjaarden uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven. In de Meierij van 's Hertogenbosch en daarna ook bij ons begon in 1636 de Retorsie-periode: noordelijke troepen overvielen menigmaal burgerlijke en geestelijke functionarissen, die gevangen werden genomen. Na de overval konden de gijzelaars worden vrijgekocht. Drie jaar lang bleef de pastoor van Hoogstraten ondergedoken. Uit de naburige dorpen werden dopelingen bij hem gebracht: daar waren de pastoors gevlucht. In 1638 hield de retorsie op en keerden de pastoors terug. Op 13 september 1636 werd er op Bedaf aanzienlijke schade veroorzaakt door de cavalerie van het Staatse leger onder leiding van luitenant-generaal Stakenburch.

De pogingen om de Spanjaarden uit de Zuidelijke Nederlanden te verdrijven, mislukten. Antwerpen kon niet worden veroverd en Roermond en Venlo vielen opnieuw in Spaanse handen. Alleen enkele grensvestingen werden ingenomen: Breda kwam in 1637 na een beleg van elf weken terug in handen van de Staatsen. Op 24 juli 1637 ontving Baarle een sauvegardebrief van de prins.

tachtigjarige oorlog algemeen 16Spotprent op de vredesonderhandelingen met Spanje

12. De aanloop naar de vrede (1639-1647)

Belangrijke Spaanse troepenversterkingen werden in 1639 op zee bij Duins verslagen door admiraal Tromp. Prins Frederik Hendrik veroverde Sas van Gent (1644) en Hulst (1645). In Baarle werd het raadhuis aan de Singel voltooid (1639), de kerk verbouwd (1640) en kasteel Bruheze "uijt sijn ruinen ende water met sijn torens" heropgebouwd (1642). In 1647 was er schade aan de oogst door hagelslag.

Spanje verarmde zienderogen en de Zuidelijke Nederlanden geraakten steeds dieper in verval. Ook de Verenigde Nederlanden wilden vrede: ze hadden liever het zwakke Spanje als buur dan het groeiende Frankrijk. Verder had de Noordnederlandse handel er belang bij dat Antwerpen met zijn haven op het achterplan bleef. Prins Frederik Hendrik, de echtgenoot van Amalia van Solms, werd ernstig ziek en stierf op 14 maart 1647. Zijn zoon Willem II volgde hem op.

Frederik Hendrik had op 8 januari 1647 nog een akkoord gesloten met vertegenwoordigers van de koning van Spanje, waardoor hij o.a. het land van Turnhout als een leen kreeg toegewezen. Amalia van Solms ondertekende op 27 december van datzelfde jaar een gelijkaardig document. Het land van Turnhout was belangrijk voor de Nassaus: het vormde de verbinding tussen de Oranjesteden Breda en Diest. Bij de Vrede van Münster werden de twee voorakkoorden bevestigd in het uiteindelijke vredesverdrag.

"Met een zucht van verlichting" werd in Minderhout uitgekeken naar het einde van de oorlog. Geen enkele inwoner had ooit vrede gekend. Er werden zelfs weddenschappen afgesloten. Zo verkocht op 11 november 1647 Anthony van Gerwen zijn geweer aan Wouter Peeter Celen. Als voor St.-Jansdag (24 juni 1648) de vrede tussen de koning van Spanje en de Staten van Holland was gepubliceerd, moest Wouter 28 gulden betalen, zoniet schonk hij twee vaten bier, elk ter waarde van 8 gulden, die in elkaars gezelschap moesten worden gedronken. Vrede of niet: feesten zouden ze...

13. De Vrede van Münster (1648)

De Vrede van Münster is een onderdeel van de Westfaalse Vrede. Die kwam tot stand na jarenlang diplomatiek overleg op initiatief van Zweden en het Duitse Rijk. Door toedoen van keizer Ferdinand III groeide het overleg uit tot een congres dat tot doel had een einde te maken aan de oorlog waarin Noord-, West- en Midden-Europa sinds het begin van de 17de eeuw bijna permanent hadden verkeerd. Langzamerhand werden ook Spanje, Portugal, Frankrijk en de Verenigde Nederlanden in de voorbereidingen betrokken. Venetië en de Heilige stoel kregen een bemiddelende rol toebedeeld.

Spanje en het Duitse Rijk waren de voornaamste voorstanders van het sluiten van vrede. Frankrijk verzette zich ertegen en in de Verenigde Nederlanden waren de meningen verdeeld. Holland ijverde uit handelspolitieke overwegingen voor een snelle vrede, ondanks een in de Alliantie met Frankrijk opgenomen clausule die een verbod van een afzonderlijke vredessluiting inhield. Frederik Hendrik en Amalia van Solms waren sterk pro-Frans. Hun aanhang in de Staten-Generaal werd vooral gerepresenteerd door Utrecht en Zeeland, twee tegenstanders van een afzonderlijke vrede. De motivering van de Zeeuwen was van religieuze aard (vrede met het katholieke Spanje heette een verbond met de anti-christ), maar in feite was deze gefundeerd op de belangen van de Zeeuwse kaapvaart op de Spaanse koloniën in Amerika. Ondanks een pamflettencampagne aangestookt door de Franse ambassadeur, dreef Holland de overeenkomst door. Het voorlopige vredestraktaat werd met uitzondering van Zeeland door de gewesten ondertekend op 30 januari 1648: "Articulen en conditien van den Eeuwigen Vrede geslooten tusschen den Groot-machtigen Koninck van Hispaignen/etc. ten eender/ ende de hoog-mogende Heren Staten Generael der Vereenigde Nederlanden/ ten ander zijde onderteijckent en bezegelt den 30sten januarij 1648 Tot Münster..."

Door de Vrede van Münster werd de Republiek der Verenigde Nederlanden formeel erkend als een vrije staat en de grens met Spanje werd getekend op basis van de frontsituatie. Het oude hertogdom Brabant werd gesplitst: Baarle-Hertog, behorend tot het land van Turnhout, bleef bij Spanje terwijl Baarle-Nassau als onderdeel van de Baronie van Breda bij de Republiek kwam. Op 15 mei werd de Vrede van Münster plechtig bezworen in het raadhuis te Münster. De officiële bekendmaking in de Verenigde Nederlanden volgde op 5 juni 1648, nadat Zeeland op 30 mei had verklaard zich erbij neer te leggen. Op 24 oktober 1648 sloot ook Frankrijk vrede met de keizer in ruil voor gebieden in Elzas en Lotharingen. Daarmee was de Vrede van Westfalen voltooid.

De Schelde bleef gesloten waardoor de Zuidelijke Nederlanden steeds meer achterop geraakten. Dit betekende voor Hoogstraten het einde van de wolnijverheid. Ook de handel ondervond nadeel en het bleef lange tijd onveilig op onze wegen.

Ter gelegenheid van de afkondiging van de vrede was er op 5 juni een groot volksfeest: wellicht werd er gratis bier geschonken op elk gehucht, werden pleinen en gebouwen verlicht met teerpotten en luidden dagenlang de kerkklokken. In de steden werd vuurwerk ontstoken. De kater van het feest kwam op16 juni: bij verordening werden de kerken gesloten en eigende de prins van Oranje zich alle kerkelijke goederen en kerken van de Baronie van Breda toe. Religieuzen en begijnen ontvluchtten de Republiek. Velen kwamen naar Turnhout en Hoogstraten.

Onderschout Daniël Buyckx kwam namens de prins beslag leggen op alle kerkelijke goederen in Baarle-Nassau. Op 3 juli 1648 vond een calvinistische beeldenstorm plaats in de zopas heropende Salvatorkapel van Nijhoven. Nadat de rabauwen beelden en schilderijen hadden vernield, probeerden ze het 15de eeuwse houten kruisbeeld van de Calvarieberg stuk te trappen. Het bleek echter te sterk. Door de inwoners werd de "onteerde Christus" nadien in veiligheid gebracht in de Remigiuskerk. De calvinistische karavaan poogde vervolgens de kerk van Baarle-Hertog te sluiten, wat kon worden verhinderd door onderpastoor Gerardus Van Herdegom, witheer van Tongerlo (°Mechelen 28 april 1617, +Baarle 3 oktober 1675). Van Herdegom was een bekende geschiedschrijver. Hij schreef reeds vóór 1648 zijn Diva Virgo Candida (De blanke H. Maagd), in 1650 op 531 pagina's gedrukt in Brussel.

Van Herdegom deed meermaals een beroep op Amalia van Solms wanneer de kerk dreigde te worden geannexeerd. Als leenvrouwe van de koning van Spanje was Amalia verplicht het katholieke geloof in de Heerlijkheid Turnhout te verdedigen, dus ook in Baarle-Hertog. De Remigiuskerk werd gered voor de katholieken. Tegelijkertijd bleven ook de Baarlese enclaves behouden. Het behoud van de enclaves en vooral de komst van de rijksgrens zouden honderden jaren lang conflicten veroorzaken tussen de Baarlenaren en de vertegenwoordigers van hun verschillende overheden. Het is deze scheiding die we herdachten met de organisatie van de Landdag van het Verbond Voor Heemkunde op zaterdag 3 oktober 1998. Precies 350 jaar geleden werd de basis gelegd van de huidige rijksgrenzen in Baarle.

tachtigjarige oorlog algemeen 17Afkondiging in Antwerpen van de Vrede van Münster 

 


Franse tijd in de regio

Na de Franse Revolutie in 1789, vielen in 1792 troepen van de Franse Republiek de Zuidelijke Nederlanden binnen. In Brabant (bestaande uit een groot deel van de huidige provincies Noord-Brabant, Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant) werden bevelen gegeven door de Raad van Brabant om de veiligheid van de wegen te waarborgen om ongewenste personen te weren. De gemeente Baarle-Hertog stelde een gewapende patrouille aan. Deze patrouille marcheerde ook over de wegen van Baarle-Nassau. De bestuurders van Baarle-Nassau dienden hierop een klacht in bij de Raad en Rekenkamer van Brabant, want ze vielen onder “staats” gezag als generaliteitsland.

In 1795 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden omvergeworpen en de Bataafse Republiek gesticht, die de katholieken als gelijkwaardige burgers erkende. De grenzen verschoven vele malen in de Franse tijd. Het Generaliteitsland Staats-Brabant werd in 1795 een provincie, met de naam: Bataafs-Brabant, maar al in 1798 werd die opgesplitst in nieuwe departementen naar Frans model door de Franse overheersers.

Toen de Fransen onder Napoleon later het bestuur van de Nederlanden overnamen, kwam een einde aan het ancien regime, dat nog gebaseerd was op de situatie en het feodale stelsel vanuit de late middeleeuwen.

Vanuit Hoogstraten vielen de Fransen de Baronie binnen. Breda werd snel veroverd, de Hollandse stad Geertruidenberg volgde snel en werd geplunderd. Een detachement bereikte via Merksplas de heide bij Castelré. Bij Baarle-Brug werd een kamp opgeslagen. De legereenheden waren, zoals toen gebruikelijk, aangewezen op de lokale bevolking van onder andere Castelré en Merksplas. Het vee, graan en voer voor de paarden moest worden afgestaan. Nadat de troepen waren bevoorraad gingen ze via Heesboom en ten westen van Loveren en Baarle naar Boschoven om vanuit daar naar Tilburg op te trekken. De naam Franse Baan van de weg bij Boschoven herinnert nog aan deze operatie. De inwoners van gehuchten als Castelré, Heesboom en Reuth waren aangewezen op de steun van het dorpsbestuur om hun veestapel te herstellen. De gewone mensen waren vaak wel het slachtoffer van de strijd zo blijkt.

 

In Alphen zou ook een kamp van Franse troepen hebben bestaan aan de “herendreef” ten westen van Boshoven.

Bij Hoogstraten en Wuustwezel vonden in januari 1814 veldslagen plaats aan hert einde van het Napoleontische bewind over de regio. De Slag bij Hoogstraten werd op 11 januari 1814 uitgevochten tussen het Franse leger en geallieerde Pruisische, Russische en Britse troepen, ook enkele eenheden uit de Nederlanden waren vermoedelijk betrokken, aangezien die ook bij de latere slag bij Waterloo aanwezig waren. De slag was een reeks van bloedige treffen tijdens de Zesde Coalitieoorlog langs de huidige Belgisch-Nederlandse grens van Essen tot en met Turnhout. De slag werd vernoemd naar Hoogstraten als de belangrijkste stad in de regio.

Afbeelding: medaille (oktober 1814) gemaakt voor het Congres van Wenen, met vermelding van de Slag van Hoogstraten, collectie Stedelijk Museum Hoogstraten Uiteindelijk vonden de laatste veldslagen plaats in het zuiden van Brabant bij Waterloo, in het huidige België ten zuidoosten van Brussel.

 

Verloop van de slag

De geallieerden (de coalitie) kwamen op 11 januari 1814 sterk opzetten vanuit de regio Breda, uit de richting Strijbeek-Galder., via Meer en Meersel. Hoofddoel van het offensief was Antwerpen en de belangrijke haven aldaar. Vooral de strijd in het centrum van Minderhout was ongemeen hevig en hard. Met de bajonet op het geweer werd lijf-aan-lijf gevochten om het oude kerkhof in een brandend Minderhout. Ook andere gemeenten, zoals Meer, Wortel, Hoogstraten-centrum, Loenhout en Malle, deelden in de klappen. De verliezen aan beide zijden liepen hoog op. Honderden militairen werden gedood of gewond. De slag en haar nasleep hadden een grote impact voor de bevolking in de Noorderkempen. Heel af en toe duiken nog sporen op, zoals het noodgraf van een gesneuvelde enkele jaren geleden.

De slag betekende het einde van de Franse Tijd in Hoogstraten.

Na de franse tijd...

Nadat de Franse overheersing ten einde was, ontstond het nieuwe konkinkrijk der Nederlanden. Het bestuur werd hersteld en vaak bleven de lokale bestuurders, zeker in de kleinere gemeenten dezelfden die het ook in de Franse tijd waren.

Na de val van Napoleon in 1815 werd op het Congres van Wenen bepaald dat onder andere de Oostenrijkse Nederlanden en de voormalige Bataafse Republiek samengevoegd zouden worden tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Heel het gebied van het oude hertogdom Brabant werd nu weer in één staat verenigd en verdeeld in drie provinciën: Noord-Brabant, Antwerpen en Zuid-Brabant (met Brussel en Leuven). Noord-Brabant werd bij die gelegenheid uitgebreid met enkele stukken van Holland (de gebieden ten zuiden van het Hollandsch Diep en de Merwede) en de voormalige heerlijkheden Megen, Boxmeer, Gemert en Ravenstein.

De regionale bestuurlijke indeling werd weer gewijzigd en de huidige provincies ontstonden. In het zuiden bleef het Frans nog een hele tijd de bestuurlijke taal en ook in het noorden bleef een deel van de burgerij deze taal gebruiken. De Nederlandse wetgeving werd ook deels gestoeld op de code Napoléon, waardoor toen nog heel wat oorspronkelijke wetteksten in de Franse taal bleven bestaan. Een aantal zaken, zoals de registers van de burgerlijke stand en het kadaster van gronden werden overgenomen uit de Franse administratie.

 


Belgische opstand

Na enkele tientallen jaren begon eer iets te broeien onder de Franstalige burgerij in het zuiden en er kwam een opstand van. In 1930 riep men in Brussel de onafhankelijkheid uit en werd de noordgrens van de nieuwe natie getrokken langs de lijnen die ook bij de vrede van Münster na de 80-jarige oorlog waren bepaald. In Baarle-Hertog en Baarle-Nassau gebruikte men nog oudere grenslijnen. Voordat het zover was werd er in het zuiden, waaronder in de streek van de familie Roelands en Boeren gemobiliseerd en extra troepen samengetrokken. De veldtochten waren echter zeer moeilijk omdat er heel wat troepen overliepen naar de landgenoten in het zuiden. Er bestond er onder de bevolking van het voor 90% katholieke Noord-Brabant wel enige sympathie voor de Belgische zaak, maar die bleef binnen de perken en de uitingen daarvan konden door de Nederlandse autoriteiten zonder veel moeite worden onderdrukt met de troepen ui het noorden. Het duurde tot 1839 voor er met de noordelijke Nederlanden een overeenkomst was gevonden en België echt op de kaart stond. Vanaf nu woonden er delen van de familie in verschillende landen. De landsgrens werd niet altijd even serieus gezien, door de grensbewoners. Bestuurlijk veranderde er in eerste instantie niet veel op lokaal vlak, sommige gemeenten of dorpen werden wel bij een andere provincie gevoegd of kwamen in een ander land terecht, zoals een deel van Galder en Strijbeek, dat nu ineens bij de gemeente Ginneken en Bavel kwam (?), waar het vroeger bij Meerle hoorde, dat veel dichterbij ligt. De nieuwe grenzen gaven ook wel kansen om van de verschillen aan de beide zijden te profiteren, door te smokkelen bijvoorbeeld.

 

 

Interstruif is een kleinzoon van Victor Martinus Boeren, via Anna Catharina Boeren en Sjef Roelands.

We beginnen bij het gezin van Interstruif en gaan vandaar uit terug in de geschiedenis van de familie Boeren, zover als we kunnen aan de hand van "bewijzen"... Daarmee bedoelen we de schriftelijke neerslag in registraties vande burgerlijke of kerkelijke overheden.

BezoekOpaOmaBoeren1964Hierbij een foto van het jonge gezin van de familie Roelands-Boeren op bezoek bij oma en opa Boeren in 1964.

 

Victor Martinus trouwde op 27 april 1928 met Johanna Maria Stoopen (Jans).vICbTROUW1e Zij was afkomstig uit Molenschot gelegen tussen Gilze en Rijen. Helaas duurde het huwelijk niet lang, want in 1929 overleed Johanna in het kraambed, waarbij ook het kindje overleed.

 

In 1930 hertrouwde Victor Martinus Boeren met Maria Petronella Bax (geboren 1 mei 1895, als oudste van 16), afkomstig uit Weelde (dorp), België. Een vICbtrOUWFOTO2etrouwfoto van het jonge stel is ook bewaard. Zoals gebruikelijk werd er al snel een gezin gesticht. Vic Boeren en Mie Bax kregen familieBoeren7 kinderen, Jan, Anna, Julia, Gust, Herman, Irma en Liesje. De oudste (Jan Boeren) en de jongste (Liesje Janssens-Boeren) zijn inmiddels overleden. Een foto van de hele familie staat ook hierbij.

 

 

 

Boreerderij ddan de StrumptVictor Martinus Boeren (Vic)  zelf werd geboren aan de Strumpt, nu "nieuwe Strumpt". Als jongste kind van Jacobus "Coop" Boeren en Anna catharina Van Der Steen. Ten tijde van de geboorte van de ouere broer van Vic, Adrianus Augustinus, woonde de familie nog in de gemeente Baarle-Hertog, mogelijk in Zondereigen, grenzend aan Merksplas.

JJacobusBoerenscreenshot zoekakten.nl 2016 10 23 22 45 56acobus "Coop" Boeren die werd zelf geboren in Merksplas op 30 september 1834. We vonden de geboorteakte terug, zijn vader Johannes deed de aangifte bij de "officier van den civiele stand".overgrootoudersBoeren De geboorteakte was over 2 bladzijen geschreven, men had de Hollandse zuinigheid behouden in het toen nog jonge België.  Jacobus was getrouwd met Anna Catharia Van Der Steen, geboren in Baarle-Hertog 11 februari 1846. We hebben een foto van hen beide hieronder geplaatst. Het gezin van Jacobus werd ingeschreven in Baarle-Nassau op 30 december 1873, op Strumpt C 1. CoopBoerenOverlJacobus "Coop" overleed op 1 maart 1915, de akte staat hier ook afgebeeld. De aangifte gebeurde door de jongse zoon Victor Martinus. overlACVdSteenAnna overleed enkele jaren later op 18 juli in 1919, de overlijdensakte is op deze pagna afgebeeld. De aangifte gebeurde door Adrianus Carolus Boeren, derde zoon van het gezin. Ze werden beide begraven in Ulicoten. PRENTJECoopbOERENacVDSteenDe "doodsprentjes" van beiden zijn hieronder ook afgebeeld. Helaas is een deel van de tekst onleesbaar geworden, maar dat die zeer vroom was is wel zeker.

Vader van Jacobus was Johannes Matheus Boeren, gedoopt in Meerle  op 18 Ventose X, Franse jaartelling (09-03-1802), geboren in Baarle-Nassau volgens zijn JohMatheusBoerenOverl1845overlijdensakte, daarin is sprake van "aflijvigheid" in het randschrift. Het verschil in geboorteplaats en doop-plaats  zou te verklaren zijn als hij in Ulicoten werd geboren, maar in Meerle werd gedoopt. Johannes was getrouwd met Anna Maria Leestmans, geboren in Merksplas. In de archieven werd een franstalige akte gevonden in het Belgische rijksarchief, uit de tijd van Napoleon en er is ook een transcriptie van het doopregister van Meerle waarin hij vermeld werd.

Johannes Matheus was de jongste zoon van Adrianus Jacob Boeren (uit Meerle) geboren 1743 en Rosalia Loostermans (uit Meer), geboren 1762. OverlAdrBoeren0907 1823Adrianus Boeren overleed in 1823, getuige zijn overlijdensakte. Het overlijden werd gemeld door zijn zoon Johannes Matheus Boeren aan de "Beambte van den civielen stand" in Baarle-Nassau. Adrianus woonde bij zijn overlijden in wijk H (Ulicoten), huisnummer 217.

Adrianus vader was Jacobus Johannes Boeren geboren in 1700 en reeds in 1747 gestorven. Hij was getouwd met Adriana Menschen, geboren in Ginneken in 1710, toen nog een aparte gemeente bij Breda. Ze overleed in Antwerpen in 1783. Hoe zij in Antwerpen terecht kwam is niet zo duidelijk.

Deze Jacobus, was een zoon van Johannes Jacobus Boeren, geboren 26 mei 1664. Hij stierf in 1705. Johannes was getrouwd met Elisabeth Gomari Jansen, geboren 1671.

Johannes was zelf ook weer een zoon van een Jacobus Henricus Boeren, ook Hendriks genaamd, mogelijk geboren in 1622 in Meerle en daar ook overleden in 1688. Zijn partner was Joanna Jansen, verderop Jenneke genoemd.

Van deze jacobus werden in de doopboeken van Meer mogelijke ouders gevonden: Henricus Jacobs en Catharina Laurentius Joannes Leijs. Het is echter niet zeker dat dit de ouders zijn, aangezien we tot nu toe deze niet via schriftelijke bewijzen kunnen verbinden.

De volgende informatie komt van John Boeren, waar ik al meer meeriaal van had gekregen, waarvoor dank uiteraard. John is meer professioneel met genealogie bezig. Hij is een verre neef van onze kant van de familie. Zijn tak is naar Tilburg en omgeving getrokken

Stamvader van de familie Boeren is Jacob Hendrickx. Van hem weet ik dat hij op 18 februari 1688 overleed in Meerle, België. Twee dagen later werd hij begraven in de kerk van Meerle, waar de familie een graf had. Hier was een jaar eerder zijn vrouw ook begraven. Haar naam was Jenneke Heijliger Janssen, overleden op 1 maart en begraven op 4 maart 1687 te Meerle.
Zij kregen in Meerle drie zonen:
a. Henricus, ged. 15 februari 1660
b. Heijliger, ged. 14 augustus 1662
c. Joannes, ged. 26 mei 1664
De begraafregisters uit die periode laten ook nog twee mogelijke andere kinderen zien:
d. Cornelius, begr. 7 mei 1666
e. Joannes, begr. 29 september 1668
Van deze laatste twee kinderen is het dus niet zeker dat het ook echt kinderen van Jacob en Jenneke zijn. Een doop van hen heb ik niet gevonden.

Waar ik al jaren naar op zoek ben is een huwelijk van Jacob en Jenneke. De namen van de kinderen doen vermoeden dat Henricus de oudste zoon was, vernoemd naar vaders vader. Heijliger is dan vernoemd naar moeders vader. Dat in gedachten houdend, zou je verwachten dat het huwelijk ergens in 1659 (of kort daarvoor) gesloten zou zijn.
Ik heb de parochieregisters van de gehele regio al nagekeken, zowel aan de Nederlandse als Belgische kant van de grens.

De doopgetuigen van de drie zonen (1660, 1662 en 1664) tonen geen familierelaties. Althans, de doopgetuigen zijn mij onbekend en uit naspeuringen blijkt niet dat zij verwant zijn... of het moet juist via een relatie zijn die mij nu nog onbekend is.

Wat ik verder weet van Jacob en zijn kinderen? Jacob zelf was bedemeester en woonde in het gehucht Strijbeek. Het schepenprotocol van Meerle noemt hem in een akte van eind 1688/begin 1689, wanneer er sprake is van "het bedeboek van Jacop Hendricx, bedemeester van Meerle".
Ook zijn zoon Jan woonde in Strijbeek, volgens een akte uit het notarieel archief van Breda (1691): Jan Jacob Hendrick Boeren, wonende te Strijbeek onder Meerle. Een akte uit de schepenbank Meerle van 3 februari 1689 bevestigt dit. Hier meen ik overigens te lezen: Jan Jacop Hend. de jonge. Als dat klopt, moeten er dus twee Jannen zijn geweest. Mogelijk dat dit de extra begraafinschrijving uit 1668 verklaart?
Verder heb ik nog enkele boedelinventarissen, bijvoorbeeld een voor Elisabeth Gommer Janssen, weduwe van Jan Jacob Hendrickx, die hertrouwde met Peeter Jacops. Deze inventaris vertelt onder meer dat Jan Jacob Hendrickx in 1700 borgemeester van Meerle was en dat hij een "stede op Strijbeek" had.

Broer Hendrick Jacob Hendrickx woont in 1698 ook in Strijbeek, wanneer hij genoemd wordt in een akte uit het notarieel archief van Breda. In 1708 maakt hij een boedelinventaris op. Hierin staat dat hij in 1703 borgemeester van Meerle was. Goederen liggen in Strijbeek.

De volkstelling van Meerle uit 1702 toont Heijliger Jacops, landbouwer, en Hendrick Jacops, weduwnaar en herbergier.

Ook de herkomst van Jacob en Jenneke is onduidelijk. Mogelijk is Jacob op 4 juni 1622 in Meer gedoopt als Jacobus, zoon van Henricus Jacobs en Catharina Laureijs Leijs alias Ruijters. Maar dit is nog niet bewezen. Jenneke zou een dochter kunnen zijn van Heijliger Jan Thomasse (van Loon) en Jenneke Frans Albrechts. Dit gezin kreeg in de jaren '30 van de 17de eeuw diverse kinderen in Ginneken en woonde op de Molengracht.
Maar over voorgeslacht wil ik niet speculeren, zolang ik geen huwelijk heb gevonden. Laten we daar eerst maar eens mee beginnen.

Strijbeek lijkt de bakermat te zijn. Ook in boedelinventarissen van latere datum vind ik regelmatig bezittingen van de familie in Strijbeek, hetzij aan de Nederlandse kant (onder Ginneken) dan wel onder de Belgische kant (onder Meerle).
Zowel vader als zonen waren betrokken bij de dorpsfinanciën: als bedemeester of als borgemeester. Kennelijk hadden ze een vooraanstaande positie in de gemeenschap, getuige ook het graf in de kerk.

Het familiegraf in de kerk van Meerle bestaat nog steeds, er zijn (volgens de begraafregisters) na Jacob en Jenneke nog enkele van hun kinderen en kleinkinderen begraven.

BoerenFamGrafMeerleTEKST GRAFSTEEN:

Er staat zoiets als: Hier ligt begraven de eerzame heer Jacob Hendrickx, sterft 1688 (volgens mij Jboeren, staat er wel de hele datum maar die is afgesleten) en de eerzame Jenneken, Jacob Hendrickx's huisvrouw, sterft 1687 (met datum). De meer gedetailleerde tekst werd gevonden in de beschrijving van de grafstenen in de kerk door een pastoor van Meerle, begin jaren 1900:

D   O  M

HIER LEET BEGRAVEN DEN

EERSAME IACOB HENDRICKX

STERFT DEN 18 FEBRUARI 1688

ENDE DE EERBARE IENEKEN

IACOBS SYN HUYSVROU

STERFT DEN 1 MEERT 1687

Met conventies bedoelen we de wijze van schrijven of vermelden in deze website. Op dat gebied volgen niet alle genalogische onderzoeken de zelfde standaard, wat het niet altijd gemakkelijker maakt om zaken of namen juist te plaatsen.

Namen:

We volgen zoveel mogelijk de namen zoals vermeld in de officiële stukken, zoals bevolkingsregisters, Doop-,trouw- of begraafboeken. De familienaam proberen we zover mogelijk het zelfde te vermelden, om duidelijkheid te houden over de lijnen van bloedverwantschap.

Plaatsnamen:

Afhankelijk van de bestuurlijke situatie, samenstelling van de gemeente officiële naam op het moment van de vermelde datum van de gerbeurtenis bij de persoon of het vastellen van het feit... Ook bij het vermelden van het dorp of de woonplaats volgen we de officiele registers, de vermelding (en vaak ook spellng) wordt overgenomen uit het register. Zo vormt dat ook en meer historisch spoor.

Adrianus

 
 
Adrianus en Nathalia

Adrianus ( - Nicomedia, 4 maart 304) was een Romeins officier en is een christelijke martelaar.

Hagiografie

Volgens de legende was Adrianus officier in het Romeinse leger van keizer Galerius en moest 23 christenen vervolgen, maar werd door hun standvastigheid zelf bekeerd. Daarop werd Adrianus gemarteld. Op een aambeeld werden zijn benen met een ijzeren stang vermorzeld en werd zijn hand met een bijl afgehakt. Zijn echtgenote, de heilige Nathalia, ondersteunde hem tijdens de martelingen. In verhalen wordt beschreven dat hij na zijn dood verscheen voor zijn vrouw en haar schip beschermde tijdens een storm.

Zijn feestdag is in de rooms-katholieke Kerk op 4 maart (sterfdag) en 8 september (kerkwijding in Rome), zonder zijn echtgenote Nathalia. In de Orthodoxe Kerk valt zijn feestdag samen met zijn vrouw Nathalia op 8 september en zonder zijn echtgenote op 4 maart en 26 augustus. Adrianus is de patroonheilige van Lissabon en Geraardsbergen en van de boden, de bierbrouwers, slagers, smeden, gevangenisbewaarders en soldaten en wordt aangeroepen tegen een plotselinge dood, onvruchtbaarheid en de pest.

Een parochiekerk werd naar hem genoemd in de gemeente Haacht in Vlaams Brabant.

De naam Matheus, komt veel voor in onze familie. Zelfs in verschillende vormen en talen. Er zijn vele Matheus-en, soms zonder de "h" en ook wel met 2 maal "t", er zijn enkelen met de naam Mathew en ook Theo komt voor. Heel wat personen kregen ook een andere "roepnaam" maar droegen wel de doopnaam Matheus. In een aantal gevallen was het ook de 2e doopnaam om de naam voort te kunnen zetten. De naam kwam in de familie Roelands via de "vrouwen-kant" in 1694 met de geboorte van een zoon die helaas als kind stierf. De naam werd enkele jaren later in 1697 aan een volgende zoon gegeven . Dat was toen een gebruikelijke praktijk om de familienamen voort te zetten. Matheus Adrianus Roelen (Roelands) werd genoemd naar zijn grootvader van moederszijde, die zijn naam ook weer kreeg van de grootvader aan moederszijde. Vaak kreeg de 2e zoon de naam van de grootvader aan moederszijde, terwijl de 1e zoon de naam van de grootvader aan vaderszijde  kreeg.

De betekenis van de naam Matheus...

De naam komt van het Griekse  Ματθαιος (Matthaios), wat de (oud-)Griekse vorm is van de Hebreeuwse naam מַתִּתְיָהוּ (Mattityahu), dat weer "gift vanJHWH(God)" zou betekenen.  De heilige Matheus ook wel  Levi, genaamd, was een van de 12 Apostelen en wordt ook traditioneel gezien als een van de evangelie-schrijvers. De feestdag van deze heilige is op 14 mei.

Volgens Wikipedia:

Matteüs (ook Mattheus of Mattheüs; Koinè Ματθαίος, Matthaíos, een hellenisering van het Hebreeuwse מתי/מתתיהו, Mattay of Mattithyahu, "geschenk van JHWH") was een van de 12 apostelen die door Jezus werden geroepen. Hij wordt traditioneel gezien als de schrijver van het Evangelie volgens Matteüs.

Zijn roeping wordt beschreven in het gelijknamige bijbelboek in het Nieuwe Testament, hoofdstuk 9:9: "Toen Jezus van daar verder ging, zag hij bij het tolhuis een man zitten die Matteüs heette, en hij zei tegen hem: 'Volg mij'." Marcus en Lukas noemen hem Levi. Om die reden wordt vaak ook gesproken van Matteüs Levi.

Matteüs was de zoon van Alfeüs. Hij was tollenaar te Kafarnaüm. Kafarnaüm lag in het gebied van Herodes Antipas, daarom was hij geen Romeins beambte, maar stond hij in dienst van de vorst of heeft hij de tolweg van de stad gepacht. Waarschijnlijk was hij de schrijfkunst machtig en sprak hij naast zijn moedertaal Aramees ook Koinè.

Zijn feestdag is op 21 september, in de Orthodoxe Kerk op 16 november en op 30 juni met de andere twaalf apostelen. Hij is de patroon van de boekhouders, bankiers, douanebeambten, geldwisselaars, veiligheidsbeambten en beursmakelaars en van de stad Salerno en hij wordt aangeroepen tegen drankzucht.

In een tetramorf wordt Matteüs, sinds de 4e eeuw, afgebeeld als zijn symboolgestalte 'engel' of 'mens'.

Subcategorieën

Het verhaal achter of rond een persoon