Inloggen

Artikelindex

De Eerste Wereldoorlog en zijn voorspel


Kort voor de Eerste Wereldoorlog, op l maart 1912, was in Nederland een nieuwe miiltiewet van kracht geworden, waarbij het jaarlijse contingent militieplichtigen van 17.500 (in 1901) man nu op 23.000 man werd gebracht. De duur van de eerste oefening varieerde, al naar gelang de wapens en de rang, van 8 tot 24 maanden. De totale diensttijd van de militie werd verkort van 8 tot 6 jaar, en bij wijziging van de Landweerwet op 28 april 1913 werd de diensttijd bij de landweer van 7 op 5 jaar gebracht. De oudere lichtingen gingen, krachtens de Landstormwet van 1913, over naar een landstorm waartoe ook het ongeoefende gedeelte van de lichting behoorde. Allen die niet tot marine, leger of landweer behoorden bleven tot en met het 40e levensjaar landstormplichtig. De mobilisatie 1914-1918 bracht enkele honderdduizenden mannen uit het Nederlandse burgerlijke leven een aantal jaren samen onder militair kader, dat weliswaar had geleerd onvoorwaardelijk gehoorzaamheid te eisen doch zeer goed begreep dat men de onder de wapenen geroepen burger niet kan behandelen als een beroepssoldaat. Het is vermeldenswaard dat eigenlijk, door hun aantal, de onder de wapenen geroepen burgers de discipline in het leger bepaalden. Generaal Snijders schrijft daarover achteraf:
Maar. . . ook de tucht bij de troepen was ,,Hollandsch", een soort ondergeschiktheid en gehoorzaamheid „bij onderling goedvinden", meer voortspruitende uit vrees voor straf of voor onthouding van verlof, dan uit innerlijk tuchtgevoel en plichtbesef, maar die toch bij den kalmen en gemoedelijken aard van de meerderheid der dienstplichtigen, onder de leiding van tactvolle meerderen tot een vrij bevredigende toestand leidde.

Tijdens de 1e wereldoorlog was Nederland neutraal en slechts deels betrokken bij de oorlog die zich in onze buurt vooral in het zuiden van België en in Frankrijk zich afspeelde. Nederland kreeg veel Belgische vluchtelingen over de vloer bij het uitbreken van de oorlog en ook een deel van de aan de noordgrens ingesloten Belgische troepen kwamen er terecht (ongeveer 33.000 man, een  heel leger). Zij werden opgevangen in interneringskampen ver van de grens met het bezette België en Duitsland, om minder risico te geven voor de neutraliteit van Nederland. Er waren ook opvangkampen voor burgervluchtelingen. Heel wat familieleden van de geïnterneerden trokken naar de omgeving van de kampen en huurden daar tegen hoge prijzen logies. Later ontstonden er "vrouwendorpen" in de buurt van de grote interneringkampen in Harderwijk en Amersfoort, die eigenlijk ook kampen waren.